Gedichten


Geert Groote

Ik zag hem op het plein, in vroom gepeins verzonken,
gebogen rug, het voorhoofd diep gegroefd.
Daar ging een mens in wie de wijsheid was bezonken
en die van ‘t zoetst en het bitterst had geproefd.
In eenvoud, menselijkheid, devotie uitgeblonken,
krachtdadig en gestreng, soms vrolijk, meest bedroefd.

Verwonderd keek hij naar de felle zonnebloemen,
van zuidelijke reizen hem nog wel bekend,
en ‘t kruid dat zich op verre afkomst kan beroemen.
De kloostertuinen was hij nagenoeg ontwend.
Veel nieuwigheid, dacht hij, te veel om op te noemen,
de namen kreeg hij niet meer ingeprent.

Toch voelde hij zich thuis: de mens leek hem vertrouwd:
bekende sluwe koppen, bekende woede, haat,
bekende lust naar edelstenen, zilver, goud
die brandde in holle ogen in ‘t gulzige gelaat.
De praalzucht en de snoeverij zijn eeuwen oud,
Matiging en rust is als aan dovemansoor gepraat.

Nu was hij moe, ‘t was zwaar de mensheid te bewegen
die zo gemakkelijk bezweek voor roem en waan.
In ‘t kristal van de kapel blonk ons het zonlicht tegen,
de straling van het hemels licht was allerwegen —
Ons werk, zei hij tot slot, is voor de lange baan.
en hij verrees, keek rond, en hief zijn hand ten zegen.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 3 oktober 2013

Opmerking:
Gedicht ter gelegenheid van de opening van de glazen kapel op het Lamme van Dieseplein


Acceptance Stadsdichter

Hooggeachte Wethouder Hartogh Heys,

Allereerst voel ik mij geroepen u, en via u, het gehele college van Burgemeester en Wethouders, te danken voor de hoge eer die mij vanmiddag te beurt is gevallen om gedurende enkele jaren de stadsdichter – de troubadour, in vroeger taalgebruik — van deze mooie stad te mogen zijn. Ik kan u wel zeggen dat uw besluit mij enige tijd sprakeloos heeft achtergelaten, aangezien geen haar op mijn hoofd – dat zegt misschien niet veel, maar toch – er ooit aan had gedacht dat deze uitzonderlijke onderscheiding mij reeds op zo jeugdige leeftijd in de schoot zou worden geworpen.

Ik begrijp echter zeer wel dat van mij geen sprakeloosheid wordt verwacht, maar integendeel het luidkeels openen van mijn mond om in gezangen en in lofprijzingen uit te barsten en om lucht te geven aan mijn overvol gemoed. Ik zal trachten aan die verwachting te voldoen en bij gelegenheid, in het voetspoor van mijn gewaardeerde voorgangers en onder het aanroepen van de assistentie van de muzen, mijn medeburgers tot diepere gedachten te brengen dan wel, wat meer waarschijnlijk is, de verstrooiing te bieden waar zij naar verlangen en die hun van zo ganser harte wordt gegund.

U zult zich wellicht herinneren dat mijn voorganger bij het aanvaarden van zijn ambt, twee jaar geleden, op deze zelfde plaats, het schokken van fundamenten, ja, als ik het goed heb onthouden, het beven van de ganse aarde in het vooruitzicht stelde. Gezien de delicate staat van de gebouwen in de binnenstad, geheel of ten dele afgebroken en in diverse stadia van ontmanteling en wederopbouw, durf ik het niet aan die belofte te herhalen.
Van mij zult u eerder het sluipen op kousenvoeten mogen verwachten, en het aanvatten met de fluwelen handschoen. Maar ik zal wel pogen dat te doen met aandrang, als dat noodzakelijk mocht zijn, en met humor, als dat hulpvaardig zou blijken – maar steeds met dezelfde liefde voor onze stad en zijn omgeving als waarvan mijn voorgangers zo uitbundig hebben blijk gegeven.

En terwijl ik hier zo rustig met u sta te keuvelen, [dames en heren]
voel ik de kussen van de stedenmaagd
gloeien op mijn twee wangen,
en hoe haar koortsige verlangen
als een wervelstorm door mijn bejaarde leden jaagt
en mij opzweept tot steeds groter hoogten.
En ik hoor haar indringend vragen
of de vijanden die de stad belagen
wel op afstand worden gehouden,
en of de stad wel meegaat met haar tijd,
en of zij wel voldoende met haar rijkdom prijkt,
en of zij wel attent is op de wispelturigheid van het lot
en de onberekenbaarheid van de toekomst.
En of zij wel voldoende voortgang boekt
met het nieuwe tehuis voor ons allen, want ook zij weet
dat wie nu geen onderdak heeft,
het ook straks niet zal bezitten
en dat wij dan lange brieven zullen moeten schrijven,
die onbeantwoord zullen blijven.
En hoe het zit met de boekerij, vraagt ze,
en met het schouwtoneel
en met de rolprenten? En met het museum,
en met de derde overspanning,
en met de ruimte voor de rivier, de bedrijventerreinen en  de toekomst van de jeugd, en met de windmolens
en met de grasmat waarvan, als ik het goed begrijp, de wortels elektrisch verwarmd zullen worden om de tere voeten van onze spelers te ontzien …..?

Ja, ho, ho, ho, mevrouw, onderbreek ik haar,
terwijl ik haar tranen wis,
en haar aan mijn borst druk,
en haar flanken streel
— om haar te kalmeren —
weest u er van overtuigd dat
de vroedschap doet wat zij kan,
en dat de burgerij als één man staat achter het bewind, onwankelbaar en onoverwinnelijk.
De wallen zijn versterkt, de grachten verdiept, de torens zijn verhoogd, de poorten versterkt,
en de monden staan gereed om te vuren.
En de troubadour heeft zijn vedel gestemd, zijn keel geschraapt, en de pluim op zijn hoed rechtgezet, gereed om te zingen.
Maakt u zich dus geen zorgen,
alles zal goed komen.

Gerustgesteld zinkt de stedenmaagd terug in mijn armen, en denkend aan wat mij deze dag is overkomen, zink ik met haar,
en alleen uw applaus, [dames en heren,] zal haar, en mij, uit deze staat van verdoving en gelukzaligheid kunnen wekken.

Ik dank u wel voor uw aandacht,
en ik zal zorgen dat u van mij hoort.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 3 augustus 2013


Worpplantsoen

Een steen geworpen van mijn huis
en van daar een weinig verder
in het groen. Een noenmaal
in het gras, ach, als dat nog eens bereikbaar was …..
Een zoenmaal is ook goed, waarover
ik zo graag als jongen las.
Maar ‘t is een streng ontworpen park,
doorzichtig als kristal, getekend
met passer, liniaal en hark,
zonder struweel of struikgewas,
geen schuilplaats, geen bosschages …..
waar steel ik nog een kus,
waar streel ik nog een huid,
waar fluister ik nog een woord?
Zo raakt de liefde niet op vleugel,
al is het doorzicht schoon,
van ver reeds te bewonderen.
Een brede canapé met hoge rug,
in de gouden koepel neergezet,
als ware het een Venustempel van weleer,
met in het midden een liefdestroon,
doet ongetwijfeld wonderen
en kan misschien wel door de Nering Bögel.

Deventer, 29 juli 2013
Herman Posthumus Meyjes

 

Opmerking:
Nering Bögel: ijzergieterij en een van de oudste industrieën in de stad, met wortels in de eerste helft van de 19e eeuw. Deed de herstelde en geheel vernieuwde muziekkoepel in het plantsoen in 2012 aan de stad cadeau.

Gedicht voorgedragen op zondagmiddag 4 mei in de muziekkoepel in het Worpplantsoen.


Maandagmorgen in het Noordenbergkwartier

Ik wist niet dat de stad zo stil kon zijn
en dat de straten zich zo geruisloos om mij konden sluiten,
als een laken in een te strak opgemaakt bed,
als een overhemd te nauw gekocht,
als een keuken voor een te klein behuisd gezin,
als een kinderfiets met blokken op de trappers.Ik wist niet dat ik de enige bewoner van deze wijk
zou kunnen zijn, als een drenkeling op een onbewoond eiland,
als een opvarende op een verlaten schip,
als een boer op een vereenzaamde hoeve.

Ik wist niet dat de stilte zo overtuigend kon zijn,
als van een in slaap gevallen hond,
als van een kind zonder vrienden.

Ik wist niet dat die stilte zo draagbaar kon zijn,
als van een versleten, maar prettig zittend kledingstuk.

Ik wist niet dat ìk die grijsaard zou zijn die in de zon is ingedut.

Maar het is ook denkbaar dat mijn gehoorbatterij was uitgeput.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 19 juli 2013


Aangenomen werk

goedemorgen mevrouw Jansen,
wie ik ben? uw nieuwe thuishulp Jan
ik ben een ex-wajonger, dus pillen weet ik alles van
en straks komt Kurt, das eigenlijk een betonvlechter,
dus met uw steunkousen komt het helemaal goed

uw gediplomeerde hulp? die heeft nu WW,
maar dat geeft niet, dat wordt immers geregeld
door het UWV; wel jammer van die opleiding  inderdaad
maar voor klachten moet jullie  niet bij mij zijn
maar bij de gemeenteraad

wie er straks komt om u te wassen?
Ja, dat weet ik niet, maar het zou maar zo
een werkeloze wethouder kunnen zijn,
ook die hebben zich bij deze crisis
maar aan te passen

 

© Lammert Voos


Waffel Snaffel

spitter, spetter, spat

de straten zijn weer nat

laten we de meester en juf verrassen

en met blote voeten dansen door alle plassen

 

huppelen door het hoge gras

alsof ik een dartel haasje was

ik had mijn eigen witte paard

en was een ridder met een gouden zwaard

had de zon als ballon aan een zilveren touwtje

was van iedere hond en kat het favoriete vrouwtje

en ik was een wereldberoemde beeldschone actrice

of een betoverde voetballer die nooit kon verliezen

en ik kreeg zelfs in de zomer een kerstboom,

het is ongelofelijk, alles kon in deze mooie droom

want wie fantaseren kan heeft pas echt geluk

 

spitter, spetter, spat

de straten zijn weer nat

laten we de meester en juf verrassen

en met blote voeten dansen door alle plassen

 

© Lammert Voos


Oude koeien

cul·tuur (de; v; meervoud: culturen) het geheel van geestelijke verworvenheden van een land, volk enz.; beschaving (Van Dale)

 

historische hybris: is het kennis vergaren

echt een te beperkte bijdrage aan de erfgoedambities

en wat betekent dat laatste eigenlijk precies

kan iemand mij zo’n leeg woord eens verklaren?

 

historische kennis: uit een volmaakte cherubijn

schiep hybris de duivel die Eva de eeuwige

zielenpijn van de eerst begane zonde, de appel

deed grijpen, ons allen daarmee verwondde

 

een belemmering voor het vergaren van kennis

is hoogmoed, staat ook in een ander heilig boek,

De Koran, het ligt voor de hand, kost niet

veel bestudering, zelfs niet voor een simpel man

 

de moeder der hoogmoed is onwetendheid

volgens Erasmus, maar wist dan niemand

van onze wethouder zijn beleid betreffende de

sluiting van een ander Historisch museum?

 

ondertussen krimpen de buffers voor de bouw

van ons stedelijke Icarusproject, zijn eventuele

tegenvallers nauwelijks gedekt, krijgt het

burgervertrouwen opnieuw een knauw

 

nooit iets van ons hoogmoedig verleden geleerd,

want de hedendaagse steen van Sysiphos heet

rente: die is oeroud uit domheid gekneed met

de blik steevast van gezond verstand afgekeerd

 

© Lammert Voos


Caleidoscoop

geklonken in
roestvastig
angst en wantrouwen
het oordeel
getuigt diep
geworteld
hoewel
de ware
gewoon geëcht
kameraden
zusters ook
geen argwaan
gedachteloos
die Mensch
die durft
te leven
zonder
die eerste steen
met recht
lief te hebben
juichend
vol instemming
met je liefste
hand in hand

geklonken in het oordeel, hoewel
kameraden, gedachteloos te leven
met recht vol instemming

roestvastig getuigt diep de ware,
zusters ook, die Mensch, zonder lief
te hebben, met je liefste

angst en wantrouwen geworteld,
de domheid gewoon geëcht, geen argwaan,
die durft, die eerste steen, juichend

hand in hand

 

© Lammert Voos


Echo’s

de rivier eist ruimte, wil extra geulen en haar
sluimerende echo kruipt langs de lege plekken
in de stad, de verdwenen gezichten en wekt
het slapende collectieve geheugen

de bommen discrimineerden niet, vergaten zelf
nooit en bedreigen  nog steeds de mensen in het gebied
langs de bruggen, de eeuwig jeugdige dood galmt
dreigend weer zijn bloederig stalen lied

schuld heeft vele gezichten en is nooit zwart-wit:
de geallieerden bombardeerden de verkeerde
spoorlijn, de schande is nooit gewist,  dit zal
voor altijd de stad van Etty Hillesum zijn,

de treinen die op maartse zondagen stil staan,
zeventig jaar geleden bleven ze gaan, onstuitbaar
naar het oosten en er zal nooit geen kaddisj
meer gezongen worden in de Deventer synagoge

© Lammert Voos


Toegevoegde waarde

De mens aan de zijlijn
immer klagend over de maatschappij
je zou wensen dat hij meer bijdroeg
dan alleen verbaal venijn
niets en niemand is goed genoeg

maar wat draagt de stadsdichter zelf bij
met het berijden van zijn stokpaarden,
wat is daarvan eigenlijk de toegevoegde waarde?
van zijn gedichten wordt kennelijk ook niemand blij

Sinterklaas, antisemiet, waardeloze dichter,
biedt kwaliteit die past bij zijn achternaam
de uitvreter, hypocriet en oplichter gebruikt
woorden die niemand snapt of juist te simpel zijn,
is een wandelende grap, heeft een ziek brein

luis in de pels of poëet,
wat is goed voor een stad,
inhoud, vorm, traditie of ambacht,
is er iemand die het weet?

heeft Deventer wel een stadsdichter nodig,
of is deze functie eigenlijk totaal overbodig?

 

© Lammert Voos


Tien procent

het nieuwe stadskantoor wordt  van iedere burger,

dat zei het gemeentebestuur terecht

een waarheid als een koe,  uiterst betrouwbaar in haar voorspelbaarheid

dat mag ook wel eens gezegd

want derivaten zijn risicovol en ondoorzichtig,

vraag de Grieken en Vestia, die waren

eerder daarmee onvoorzichtig

en een gift van tien procent stelt toch weinig voor

uw leven gaat met zo’n klein offer gewoon door

en wilde u toch al niet op dieet?

maar wat bedoelt u met de schijn tegen?

dit argument zal het gemeentebestuur zorgvuldig afwegen,

met deze gedachte, dit argument, zal het bestuur even zorgvuldig

haar r**t afvegen

 

© Lammert Voos


Defect kompas

giftig koperdamp leidt tot krankzinnigheid,

brons tot eeuwen onderontwikkelde hebzucht,

een schip is van een graf gestolen, de dader,

het glas van zijn kompas te zeer beduimeld om

helder te zien, draaft door op bezoedeld pad,

schendt het grote verdriet, roept meer daarvan op,

rijt oude wonden open en ontheiligt tranen, trapt nog eens

op de reeds broze harten, laat gekneusde graven

aangetast achter als stille getuigen van

verwond vertrouwen

© Lammert Voos


Luchtfietsen

Icarus ondervond al aan den
lijve, vooruitgang heeft een prijs,
want als UV en nucleaire straling
te sterk zijn, de lucht niet meer
te ademen valt, het licht definitief
is gedoofd, wie vliegt dan nog?

vechten tegen windmolens, daar
is een mooi boek over geschreven

© Lammert Voos


Schadenfreude

de man die driehoog woont aan het Pothoofd
legt glimlachend zijn verrekijker neer, maar meeuw noch stern
boven de rivier hebben zijn aandacht

het zijn de tegels op de kade, schots en scheef en verzakt,
de schepen die van hun trossen slaan aan de zinkende oever
en het zijn auto’s die uit koers raken door het golvend asfalt en
rakelings langs de hinkelende voetgangers scheren,

de volgende is misschien raak, denkt hij besmuikt maar hoopvol
en hij ziet, hij is immers een ziener, een man van kansen,
hij ziet mogelijkheden in onmacht en onbeholpenheid,
de schreeuw uit de onderbuik is hem nooit luid genoeg

de man die driehoog woont aan het Pothoofd
is letselschadeadvocaat, hij droomt iedere nacht
van een grotere woning

© Lammert Voos


Verweesd palet

Voor Hans Bosman, Deventer schilder (1958-2012)

een duizendmaal eerder ingeslagen weg,
de klinkers altijd eender op het eerste stuk
op onaangeraakt doek waarop wit niet
per definitie maagdelijk is

je tot fonkelende spleetjes toegeknepen ogen
bij een gulle lach, belangstellende concentratie
en ambachtelijke twijfel en zelfvertrouwen
in iedere aarzelende eerste lijn

de opzet van de vader, de zoon, de broer, de minnaar,
de liefdevolle intenties van de man op de fiets,
al die mooie kinderen die je hoopvol aanstaren
vanaf gulzige canvas

de perfectie van het imperfecte gevat met vaste hand,
tussen marterharen wimpers nu een bundel penselen
werkeloos rustend naast het verweesd palet,
in het stille atelier is het nog gister

© Lammert Voos


Adieu meester G.

dwalend tussen kraampjes, boeken bebladerend, ruiken en
proeven van zoveel gezichten en pagina’s en de ziel in het
verlangen naar die ene stem, duw je iedereen opzij; hij,
de meester, die zich met wapperende jaspanden naar zijn
lunch haast, daarna heeft hij nog een interview en hij
verkneukelt zich glimlachend reeds om de ondeugendheden
die hij straks zal orakelen, het plaatselijk journaille in
opperste verwarring achterlatend

dat is geweest

tussen de duizenden mensen is een leegte gevallen, daar
op het podium zal niemand meer mild glimlachend zijn
publiek aanschouwen, een gat, een donker gat, aan de tafel
waar gesigneerd wordt, op de boekenmarkt en in mijn hart
en geen drankovergoten nachtelijke audities meer, nooit meer
die kwajongenslach, de gespeelde norsheid, uw e-mails
doorspekt met kwinkslag; nimmer is een verscheiden poëet
massaler beweend en hier sta ik en ween machteloos mee

Adieu meester G.

© Lammert Voos


Oranjestorm

een voorjaarstorm doet vlaggetjes hysterisch
dansen aan de gevels en rode daken, de wind
rukt aan de vaantjes en de buizen van ontelbare
partytenten kreunen; de trouwe oranjefan
kreunt mee, achter de verhitte gezichten het
hondstrouwe gemoed in beroering door
zure oprispingen van vaderlandsliefde
en straks, zal het een overwinning zijn,
de auto’s toeterend door de straten trekken
of een verslagen stilte over de stad hangen,
een onweersbui rommelt in de maag van
de onversaagde voetbalman, zijn dat de
zenuwen of is het gewoon weer teveel bier?

© Lammert Voos


BOEM!

mensen in nood
geven signalen af,
verbaal of in gedrag,
geweld en diefstal
liggen voor de hand,
er zijn er voor minder
reeds in de bak beland
en je kunt de risico’s
aftellen op de vingers
van één hand

nog wel…

© Lammert Voos


Magere Hein in overall

onze noeste werker, altijd van zessen klaar
heeft zijn broodtrommeltje gesloten
het contract is afgelopen, de tijd is om,
hij werpt haastig nog eens de teerling,
moeder heeft de koffie bruin

staal buigt niet en kraakt en kreunt en groet
het donkere water, tart kranig de voorzienigheid

Russische roulette met voortrazende treinen,
spant toeval de haan, een kogel in de kamer,
weer geluk, de stad heeft al zijn bewoners nog,
geen nieuws voor de noodlotsraven
en de Styx blijft spiegelglad

de noeste werker in overall haalt de schouders op
vandaag had hij zijn kruit reeds elders verschoten

© Lammert Voos


Kranen

steelse voetstappen knerpen in het grind,
echoën in de marmeren stilte, getuigen
van wat nog niet vergeten is, in stilte
gadegeslagen door konijnen en een jagende
uil, een versteende engel

mannen met waterpomptangen, nekharen
recht overeind, het is de wind, slechts
de wind, een angstige oefening in duistere
zaken, gemak dient de mens, koper wordt
duur betaald

de tappunten gewond, water doorklieft
de donkere lucht, valt terug om tenslotte
in de bodem te zakken, onbereikbaar
voor de moeder die bloemen meenam
voor haar eeuwig slapende zoon

hebzucht en respect zijn altijd
vreemden voor elkaar geweest

© Lammert Voos