Gedichten


De mannen van Porfier

Ik reikte hen al vroeg de hand
ter weerszij van de ingang van de donkere kathedraal.
Wij stonden op gelijk niveau en zagen oog in oog.
Hun brede zwaarden waren kennelijk voor de sier,
hun broederlijk gebaar stelde mij gerust,
mijn bloedrode vrienden van het gestolde vuur.

Zij reikten achter zich, æonen ver –-
hoe overbrugden zij die tijd, voorbij de eens gespleten zee?
Even vormde ik deel van een onafzienbare rij,
als een seconde in een eeuw, als een golf
in de eindeloze deining van een onbekende bron.
Ik zag hen weer, en was terug waar het ooit begon
in tijd’s oneindige rivier, reisgenoot van de mannen van porfier.

© Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 15 februari 2015

Bij de ingang van de San Marco kathedraal in Venetië bevindt zich een beeld,
in rood porfier uitgehouwen en twee-aan-twee rondom een pilaar geplaatst,
van de zgn. Tetrarchen, het vierhoofdig keizerlijk bestuur van het Romeinse Rijk,
broederlijk bijeen, daterend uit het begin van de vierde eeuw n. Chr.
Later is het vanuit Klein-Azië naar Venetië overgebracht. De steen, afkomstig uit het gebied
van de Rode Zee, is veel ouder.
Toen ik Venetië in 1947 voor het eerst bezocht was ik onder de indruk van de schoonheid en
de ouderdom van dit beeld; bij hernieuwd bezoek zestig jaar later was ik dat wederom.


Op het MS. “ORANJE”, 24.377 ton

Te watergelaten in Amsterdam-Noord
in augustus 1939 en verbrand in juli 1979 in St. Thoma

Haar geboorte gemist,
haar levenstaak onvervuld,
haar einde niet geweten,
haar vaart nooit gezien
en nooit genoten,
haar model gestreeld
maar misvormd,
de mallen verontachtzaamd,
haar slagzij zien maken
in mijn badkuip,
haar laatste dienst: het vuur
in de barre winter van 1944/45 –-
hoe dierbaar kan een schip zijn,
hoe voorspellend een jongensdroom?

© Herman Posthumus Meyjes
Deventer,  15 februari 2015

Toelichting:
In de zomer van 1939 werd een modelbouwwedstrijd uitgeschreven t.g.v. bouwvan het ms. “Oranje” door de Amsterdamse Droogdok Maatschappij, bestemd voor de Indiëvaart. Mijn neefje en ik namen daaraan deel, o.l.v.een leraar houtbewerking. Het bijzondere van dit schip was dat de romponder de waterlijn veel breder was dan daarboven, met als doel het tolgeld in het Suezkanaal te verlagen, daar dit alleen berekend werd naar het volume boven water.Het schip was dus allesbehalve slank. Dit beviel ons jongens niet en wij pastende vorm van het model aan onze smaak aan. Gevolg: bij de tewaterlating in de huiselijke badkuip sloeg het onmiddellijk om. Teleurgesteld besloten wij het modelwel in te zenden, maar de uitslag niet af te wachten.Wie schetst onze verbazing toen wij na terugkeer van vakantiebleken toch in de prijzen te zijn gevallen, en wel als jongste deelnemers. Maar inmiddelshad de tewaterlating, waarvoor wij waren uitgenodigd, reeds plaatsgevonden.Een gemiste kans. De ADM was echter wel zo vriendelijk ons een vervangendetewaterlating aan te bieden, van de “Tjitjalenka” van de Java-China-Pakketvaart Mij.


Zes fragmenten

Fragment nr.1
op de kortstondigheid

Wat ik in mijn hand hield had einde noch begin –
De vragen die ik stellen wou waren zonder hoop of zin –
Een knotje van bruin haar was het enige begin –
O, happy days, ik geloofde er ten diepste in –

De staart van het verhaal was schaapsgeblaat –
Ik nam al dat voorhanden was te baat –
Maar hoe vroeg ik kwam, ik kwam te laat –
Het huis was reeds gesloten, behalve waar het vuur doorlaat.

Fragment nr. 2

op de ontoereikendheid

Ik ben door u gevat in tweespalt –
ik ben door u verklaard in duisternis –
ik ben door u voorzien van het oneindige
en heb uw ademtochten één-voor-één geteld.

Ik heb u zien vertrekken bij hoog water –
Ik heb u onderlangs zien varen, radar aan –
Ik heb met u de kleine stroom beproefd
en ben met u op reis getogen door ‘t vers geoogste land.

In het leven zat ik zelden op de bok.
Ik kwam bij u te biecht tot ik vertrok.
Ik heb het hoog gespeeld en stapelde gok op gok.
De rook sloeg neer op ‘t offerblok.

Fragment nr. 3

op de onvolmaaktheid

Soms zijn de stemmen stimulans.
Ik zie de paren in hun rondedans
en vraag mij af hoe het al zal einden –
Mijn zon ontbeert de kracht van helder schijnen.

Gelaten worden schaars verlicht –
en mist tuurt door het beslagen raam.
Het brengt mij hetzelfde oud bericht,
dat liggen bleef op het zevende membraam.

Het toverwoord is nu verdampt,
de hekgolf dooft ten langen leste uit.
Ik ben geraakt, maar het schot heeft slechts geschampt –
Het vingerhoedskruid wees recht vooruit.

Fragment nr. 4

op de eenmaligheid

Die avond was ik met u alleen.
Ik zag u spiegelen in de ruit,
o Venus, felle star,
en op het geduldige papier.
En nooit ging een avond van mij heen
dat ik u niet ontving als een appelaar zijn fruit,
en, al was het leven koud en bar,
ik u niet bad: blijf hier, blijf hier!

Fragment nr. 5

op de ondoorzichtigheid


Dat brede raam – dat weids gezicht – dat ruisen van de beek –
hoe kon ik dat toch overleven?
De kachel snorde en, al was het maar even,
ik wist dat dit de eeuwigheid was die een seconde leek.
Er was een hand die door de haren streek
en mij als een riet deed beven.
Ik was geen partij meer voor dit leven,
en zag de mezen hinkepinken toen ik naar buiten keek.
Zij hadden niets te vrezen.

Fragment nr. 6

op de ogenschijnlijkheid

Gij hebt de lijn getrokken die ook de mijne is
en waarop ik mij thans vast zal leggen.
Het is, zover ik weet, een soort belijdenis,
die zich niet telkenmale laat herzeggen.
Maar ik houd mij aan uw grens en deel uw doel.

Uw kleuren vloeien uit naar waar ik het bloedigst voel.
Ik blijf naar de betekenis der woorden dreggen
totdat de vaart, hoe lang hij zij, ten einde is:
dan zal ik mijn hoofd in uw schoot te ruste leggen.

© Herman Posthumus Meyjes
Deventer,  15 februari 2015

Noot:
Het gedicht bevat twee verwijzingen naar verzen van Karel van de Woestijne:
“Ik ben met u alleen, o Venus, felle star” (uit de Modderen Man) en
“Gij toont mij hoe het linnen blinkt en hoe voor het venster hinkepinkt
(o huislijkheên) een meze” (uit God aan Zee).


Malevich

“I have destroyed the ring of the horizon
and escaped form the circle of things,

and things have disappeared like mist.”
K.M.

Ontredderd naar zijn wezen,
ontvleugeld naar zijn vorm,
ontmanteld naar zijn werking,
ontwapend naar zijn kracht,
ontdaan van al dat af kan leiden
van het ene essentiële,
zinkt het beeld als een peillood naar beneden,
zoekt het nadir van de verbeelding,
op weg naar het middelpunt der aarde
en naar de ware reden van zijn bestaan,
tot het ontsnapt aan de ring der dingen
en aan de zon en de horizon,
en in de koortsige zegetocht der mensen
EXPLODEERT.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 30 januari 2015

 

Opmerking:
Na het bezoek aan de tentoonstellingen in het Drents Museum te Assen
“Kazimir Malevich, de Jaren van Figuratie” en in het Stedelijk Museum te Amsterdam “Kazimir Malevich and the Russian Avant-Garde”


Plof! Of het relaas van een eindeloze metamorfose

Soms hoor ik weleens een doffe plof
en dan denk ik: ‘is dat hem nou,
de plof, de knal, de beving en de dreun,
de schok, de krach, de grote zucht,
waarmee alles om ons heen
ineen zal zijgen, wanneer vrijwilligers
hun werk neerleggen en zouden besluiten
morgen thuis te blijven
en niet langer te verrijzen
uit de stoel die hun alreeds
vermoeide leden ondersteunt?
Is dat hem nou?’
Maar neen, iets anders is geploft.
Ik hoor wel de stad die zucht en kreunt,
maar het is geklaag, gekerm, geween
uit anderen, meest boekhoudkundige hoofde.

Want in spin, de bocht gaat in,
en uit spuit, de bocht gaat uit,
en de vrijwilliger is er van ‘t einde tot ‘t begin,
of andersom, komt het zo uit.

Onderwijl verandert.
de stadsgids in de mantelzorger,
de sportveldlijnentrekker
in de eenzaamheidsbestrijder,
de wensvervuller in de vuilnisbuitenzetter,
en de kinderbegeleidster
in de klaar-over, de lees- en fietsdocent,
in de opvanger en ondersteuner van
daklozen en gestruikelden,
de boodschappendoener
in de klusjesman of –vrouw
waar de behoevende om vraagt,
de ruggenkrabber in de gezelligheidsleverancier,
de maatschappelijke stagist
in de lampenverwisselaar, de kokkin,
in de deler in rouw en vreugde –-
zij  allen zijn reeds onderweg,
ter vervulling van ‘t het beloofde,
èn vanwege die innerlijke drang
die hen naar buiten jaagt.

Want in spin, de bocht gaat in,
en uit spuit, de bocht gaat uit,
en de vrijwilliger is er van ‘t einde tot ‘t begin,
of andersom, komt het zo uit.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 27 november 2014

Opmerking:
Ter gelegenheid van de nationale vrijwilligersdag in de Deventer Schouwburg


Avondvogel

Met vastberaden slag
roeit d’ avondvogel voort,
of hij zojuist een onheilstijding heeft gehoord
of dat hij schaduwen van een sperwer zag.

Weer is een dag vervlogen.
De avondvogel zet koers naar ‘t dagelijkse nest.
Het is, zie ik het wel, de optie die ook mij nog rest.
Dezer dagen word ik door weinig anders meer bewogen.

Er klinkt een zacht gesuis
van deze laatste vlucht.
Het nest is leeg, de afstand is geducht.
Eenzame oude dag? Eenzaam was ook ‘t ouderlijke huis.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 13 november 2014


Uitziend over de IJssel in het avonduur


Allerheiligen, Allerzielen 2014

Ik zie de stoet die tot voorbij de einder reikt
op weg naar een doel dat geen van ons ooit zal bevroeden.
De vromen, schutspatronen, gaan voorop,
wier voorspraak, hopen wij, ons zal behoeden,
de richtingwijzenden wier blik ‘t oneindige bestrijkt,
de wichelaars die ‘t stenig pad verkennen
en die de mensen, heilig en onheilig, kennen.
Dan volgen de strompelaars die in het duister tasten,
de eigenaars van ‘t oud roest, door Achterberg genoemd, *)
bezitters van zekerheden die tot verdwijnen zijn gedoemd,
de eeuwige weifelaars die op de winkel passen.
Ik zie voorbijtrekken de sybarieten en asceten,
en allen die het in het leven immer beter weten,
Ik zie dichters, stenenbrekers, rolstoelers en atleten
en allen wier hoogst genot het is zich vol te vreten.
En dan de eindeloze rij van schimmen, de grens voorbij,
en achter zich het ruisen van de rivier de Lethe,
die de vergetelheid brengt waar de ziel naar smacht.

Bede

Voor de wijzen en de zieners: dat zij thans naar voren treden,
er wordt op hen gewacht.
Voor de levenden: dat zij geduld beoefenen en koesteren ‘s leven’s eindeloze pracht.
Voor de doden: de slaap der eeuwen zij hun eeuwig zacht.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 1 november 2014

*) zie zijn gedicht “Deïsme”

Opmerking:
Ter gelegenheid van de restauratie van het kerkhof aan de Diepenveenseweg


Kindergedicht

Parapluutje, waarom hang je toch zo hoog?
Nu maakt het niet veel uit, want ‘t is gelukkig droog,
Maar straks komt er een regenbui voorbij
en word ik nat, want ik kan er echt niet bij.

Ik spring en spring, maar grijp voortdurend naast het ding.
Steeds hoger ga ik tot ik hem bijna ving,
maar steeds net niet, net niet, tot mijn groot verdriet –
nu word ik nat als groenten in ‘t vergiet.

Toch spring ik door, nog eens, twee keer zo hoog.
Dan hoor ik wat de weerman zegt op de TV:
komende weken valt het weer geweldig mee –
‘t Blijft vast en zeker kurkedroog.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 2 oktober 2014

Opmerking:
Ter gelegenheid van de Kinderboekenweek 2014 en met het oog op de kleurrijke paraplu’s 
die hangen boven de binnenstad van Deventer

Ondergrond

De voetstap is de maat van alle dingen,
de peilstok van de straat en van de stad.
Die stille bron voedt de herinneringen
die wij beroeren op ons daaglijks pad.
Verborgen lijnen die opeens verspringen,
verscholen dromen die men destijds had,
zij hebben op ons, de tegenwoordelingen, vat.

Verborgen grachten, uitgewoonde hoeken,
stegen waar eens de sleperskar door wrong,
kaden waar stoere mannen handel zoeken
en men verwoed de laagste prijs bedong;
hier, de drukte van drukkers en van boeken,
hier, in kerk en sociëteit de rappe tong,
hier, waar de sirene van ‘t geluk het zuiverst zong.

Bewijzen volgen ons en gaan ons voor,
Wat gisteren oorzaak was is morgen slot.
Veel van het verleden gaat teloor,
maar ondervoets komt het opnieuw aan bod,
herneemt ‘t gezag van de eeuw daarvoor,
en wij, die treden in dit levend spoor,
buigen ‘t hoofd en sidderen van genot.

Al gravend, speurend verruimt zich het begrip.
De Onzichtbare Gracht staat bovenaan, met stip.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 13 september 2014

 

Opmerking:
Met dank aan Daaf Ledeboer, architectuurhistoricus
ter gelegenheid van Open Monumentendag 2014 en n.a.v. een historisch-archeologische
en bouwkundige verkenning van de binnenstad


Ademtocht der rivier (sonnet)

Het water was vannacht opeens gestegen;
de randen en de dammen zijn bedekt.
Uw woorden, eindelijk in klare taal ontdekt,
heb ik nu helder toegediend gekregen.

De boot heeft zich op het water uitgestrekt,
waarin uw leden zacht waren gelegen.
U was reeds aan mijn milde greep ontstegen
toen ‘t signaal weerklonk ten teken van vertrek.

De kleine golven speelden met de oever
langs d’ oude koers die hij ook nu weer voer.
De dagen gingen reeds aanzienlijk stroever

en regen zich aaneen tot eind’loos snoer.
Eens heb ‘k beproefd; nu was ik zelf beproefde.
Kapitein Nemo stond aan het diepteroer.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 18 augustus 2014


Vers gebakken

een zonneronde van gedichten –
wie zou niet voor de verleiding zwichten
aan de wieg daarvan te staan?

een dichter kent geen plichten
en hoeft geen arbeid te verrichten,
behalve die voor zon en maan.

de pottenbakker zal de klei verdichten
en zal u van geen kwaad betichten
zo lang de baksels niet te pletter slaan.

U las het in de stadsberichten:
kleuren zullen uw huis verlichten
als verse kommen van Chris en van Alied op tafel staan.

opnieuw zal ik het hoofd oprichten,
al moet ik daarvoor het heelal ontwrichten,
maar ik laat in vol vertrouwen mijn schaapjes gaan.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 2 augustus 2014

Opmerking:
Ter herdenking van het feit dat het stadsdichterschap van Deventer mij een jaar geleden
ten deel viel en dat kunstenaar Chris Visser en schrijver Alied van der Meer hun poëtisch
beschreven aardewerk onder de titel ‘vers gebakken’ op de Grote Poot tentoonstelden


Schipbeek

De binnenlanden stromen bij mij binnen
de smalle Schipbeek draagt hun gouden vracht.
Zo laat en desondanks opnieuw beginnen –
straks komt de schipbreuk die mij wacht.

De sterke boomomzoomde velden waken
over de vers ontketende natuur –
de tijden komen en de uren naken
het kan niet lang meer duren op den duur.

Ik weet niet welke wetten hier nog gelden
in elk geval niet die van ‘t groot gelijk.
Herinneringen die van jou en mij vertelden
liggen besloten tussen uiterwaard en dijk,

en in geulen die wij samen groeven,
langs bossen, havezaten, hoeven –
daar reken ik mijzelve dubbelrijk
aan sporen van bestaan waaraan ik mij herijk.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 21 juli 2014


Voorbijgangers

“Ik zag een vrouw die schreed alsof zij nooit zou sterven”
schreef Adriaan Roland Holst, maar zij was niet de vrouw
die mij passeerde,  heur haar ontkroest en blik omfloerst,
terwijl een ebonieten allure haar omgaf
als een kuras tegen wie haar te na komen dorsten,
en evenmin de vrouw die in zichzelve lachte
noch haar zuster die angstvallig om zich keek,
de ogen hol, de haren in de war, de wangen bleek,
en zeker niet diegeen met het inhalige gezicht
en met de onbereikbare borsten.

Ik bestelde mijn glas wijn en liet mij koesteren
door vrouwen die nog minder bezaten
dat in hun voordeel pleitte. Ik zag geen wezens schrijden.
Schreien, ja, daarvan waren er verscheidene,
maar die liet ik terzijde. Het ging mij om de schrede
die aan maatstaven moest voldoen om in aanmerking
te komen, en daarvan zag ik er die hele dag niet een.

Toen kwam er vrouw langszij, zo sterfelijk als wij allen,
maar die ontegenzeggelijk de indruk wekte zich voort te bewegen
zonder de grond te raken, te ademen zonder de lucht
af te romen en te lezen in het geschrift
dat ik tot dat ogenblik gesloten had gehouden,
en ik besloot nog een kop koffie te laten komen,
omdat ik waken moest terwijl ik sliep.
Zij knielde naast mij en vroeg hoe het mij verging…..
en ik die dacht dat de tijd van het vergaan
ten einde liep.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 9 juli 2014

 

Opmerking:
Geschreven toen ik op een terras in Deventer was gezeten


Geveldoek

EEN GEVEL IN DE WACHT
DE STRAAT SLAAT ACHT
ER WORDT IETS MOOIS GEBOREN

WIE HEEFT ‘T ZO BEDACHT
EEN BUURT DIE LACHT
DIE ZAL ONS ALLEN TOEBEHOREN

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 3 juli 2014

 

Opmerking:
Bestemd voor gevels in aanbouw aan de mr. De Boerlaan


Lijn 8

Ik nam hem gretig voor zijn allerlaatste tocht,
zoals gewoonlijk ongestopt en zonder vrucht.
Daar kwam hij ratelen om de leeggestaarde bocht,
tot ‘t eind gehoorzaam aan uurwerk’s ijzeren tucht.

Een grote stad, maar ‘t kleine busje was te duur …..
Ach rammelkast, hoe vaak heb ik je niet bereden.
Verschijn opnieuw op ‘t afgesproken uur,
Want ik pendel tussen toekomst en verleden.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 27 juni 2014

 

Opmerking:
Bij de opheffing van lijn 8, de bus die de binnenstad van Deventer bediende


Deventer Raamwerk

Ik heb mijn stempel op de stad gezet,
zoveel als Vader Tijd maar wil gedogen.
Niets is er dat mijn onsterfelijkheid belet:
een mensheidswens vervuld – wie kan op zoiets bogen?

Zo heb ik nu het louche lot verrast,
want mijn zilveren handdruk zal beklijven.
Door ‘t raam ga ik naar schoonheid op de tast.
Geen zal zijn naam in water schrijven.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 23 juni 2014

 

Opmerking:
Bij de afsluiting van het door Loes Ten Anscher ontworpen en uitgevoerd kunstwerk bestaande uit 2300 vinger- of teenafdrukken van willekeurige inwoners van Deventer die tezamen de raamwerken zullen vormen van het nieuwe stadskantoor.


Buitengebied

Voor Janine van Harsselaar

Ik sluit het buiten binnen
en kan geen land verzinnen
dat zachter harmonie omvat
dan dat van deze velden, bomen, hoeven, wandelpad
en vergezichten, balsemend voor oog en ziel.

Hier heerst het evenwicht,
het in zich zelve rustend licht,
dat als een weldaad schijnt.
Hier komt de voet tot rust naarmate d’ horizon verdwijnt
en vindt het moegedobberd schip zijn kiel.

Dit is het land van regelmaat
en de gerijpte staat.
Hier laat volbrachte geschiedenis zich lezen
met zekerheid dat het niet anders had kunnen wezen.
Geen mens hoeft mij te vragen of mij ‘t hier beviel.

De aalschover staat te drogen in de zon.
Zo was het toen het leven pas begon.
Het schuw geluk lijkt mij van hieruit goed genaakbaar
en, met beleid en met geduld, aanraakbaar.
Ik geef een ferme draai aan ‘t grote wiel.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 7 juni 2014


Voorlezing

De hoofdstedelijke stem
klimt op tot het schellinkje,
‘s-werelds smalste engelenbak,
en ik mis geen woord.
Eens hoorde ik die stem breken
en bijna brak ik zelf
om de vader die niet meer zinvol sprak
en niet meer zinvol werd gehoord.
En op die stranden
sliep ik eens zelf
en op dat warme water deinde ik op en neer,
lang voordat er werd verdronken en gemoord.
Aan de Golf van Hammamet werden
mijn jonge schreden uitgezet
en nu hervind ik hen
verpakt in het gesproken en geschreven woord.
Tussen strand en engelenbak
ligt het leven
strak gespannen als een koord.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 4 juni 2014

 

Opmerking:
N.a.v. van de voorlezing in boekhandel Praamstra door de in Deventer geboren schrijfster Christine Otten uit haar onlangs verschenen roman ‘Rafael’, waarin de vaak fataal aflopende oversteek van vluchtelingen van Tunesië naar het Italiaanse Lampedusa een grote rol speelt.


Ik schroom de gieren te zien zweven

Ik schroom de gieren te zien zweven
boven het uitgemergeld kamp,
want ik ben nooit hun aas geweest
noch deelgenoot in deze ramp.
Ik schroom te schrijven over slagen
die niet op mijn rug zijn neergedaald.
Ik schroom te denken aan gemis
dat ik niet zelf heb moeten dragen
en dat mij niet zelf de keel heeft dichtgeschroefd.
Ik schroom te willen weten
hoe ‘t voelt bielzen te moeten tillen
als je ligt te rillen met de derdendaagse koorts.
Ik schroom te denken aan ‘t moment
dat het scheepsluik werd gesloten
en hitte brandde als van een toorts.
Ik schroom vanuit een veilig oord te meten
wie toen het zwaarste werd beproefd.

Ik huiver de kou te ondergaan
die stroomde vanuit Hollands bleke kust.
Ik huiver bij ‘t beeld van ‘t kil onthaal
dat zelfs de felste vreugde heeft geblust.

Ook een vaste toekomst kan bedriegen,
de liefste droom in rook vervliegen,
het vat der hope leeg geschraapt.
Laat de oorlogsvogels verder vliegen
en ik zal je in mijn armen wiegen
tot je slaapt.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 26 mei 2014

Opmerking:
Bij de herdenking van de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 en de beëindiging  van de Tweede Wereldoorlog

Ode aan het nieuwe College van B&W

Trapezewerkers zijt gij, zwevend tussen het wenselijke,
het mogelijke en het beloofde, duizelingwekkend,
soms een koene sprong, soms een salto mortale,
dan een harde landing, altijd adembenemende acrobatiek.
Het publiek kijkt belangstellend en belanghebbend toe,
en weet het beter, uiteraard, roept ‘ah’ en ‘oe’,
of, in meer courante taal, ‘schande!’  en ‘weg ermee!’,
maar gij begint alweer aan de volgende vlucht,
met kunde en doodsverachting, gij, die zelden applaus verwacht,
gij voor wie geen vangnet gereed staat,
gij die verder vooruit kunt zien dan anderen, maar in wezen spartelt
in dezelfde zee van onzekerheid als waarin uw kiezers ronddobberen.

Dat het slappe koord u tot steun zij,
maar de vaste grond uw doel.
Dat wijsheid u vergezelle, met ruimte voor tegenslag,
dat vasthoudendheid uw kenmerk zij
en politieke moed uw herkenningsmelodie.
En ook, dat de polsstok niet noodzakelijkerwijs
de grens beduide van uw streven,
en het breekbare lijntje niet de maatstaf vorme van uw kracht,
noch de hooivork de grens van uw belasting.

Kortom, er wordt veel, liefst het onmogelijke, van u verwacht.
Bestuurderen, beproefden en nieuwelingen,
miskenden en gelauwerden, geharden en kwetsbaren, geeft acht!

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 14 mei 2014

 

Opmerking:
Ter gelegenheid van de installatie van het nieuwe College van Burgemeester en Wethouders,
na de gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart 2014. Voorgedragen op 14 mei te Schalkha