Gedichten


Samenspel

Bespeel ons, o Muze, de schoonst’ aller banen:
die van Deventer Dichter, en laat ons beramen
hoe wij ons wapenen tegen de wanen
waarmee wij ons willens en wetens omvamen.

Als de stad staat op stelten,
als de Adelaars spelen,
als de spreekkoren klinken
uit dorstige kelen,
als de burgerwacht waakt
aan de Deventer poort;
nu nog een snaak
die dit alles verwoordt.

Zend ons dus, Muze, een dichter, een bouwer,
een lettergreepvoeger, een rijmmetselaar,
een signalenontvanger, een gedachtenontvouwer;
U doet het voorspel, wij staan klaar.

Jos Paardekooper


Drankgelag

Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst
denkt de drankenindustrie.
Dus ontwikkelt men de breezer
als een zoete eau de vie.

Is men eenmaal dertien jaren,
staat de brouwerij gereed
om, net als in crisisjaren,
bij te dragen aan het leed.

Hoe zou Freddy H. het vinden
als zijn dochter lazarus
in het ziekbed zou belanden,
nog ruikend naar de spiritus?

Dat de jeugd iets wil proberen
uit de band springt, op zijn tijd
dat is goed….Ook kroeg en winkel
dragen verantwoordelijkheid.

De politie hier ter stede
heeft een heel mooi plan bedacht:
Is uw kind flink in de lorum,
wordt het keurig thuisgebracht.

Met een boete in ’t vooruitzicht
snellen kind en pa en ma
naar Verslavingszorg en horen:
voortaan drinken jullie spa!

Dick Metselaar
Stadsdichter


Hoort, schrijft het voort

Hoor:
hoe alles verandert, en kantelt
en wankelt en wentelt;
je worstelt
en gaat ten onder
zo hoor je nog eens wat.

Je pin en je pas en je bank
je baas en je buit en je huid
je naam en je kraam en je faam
je leus, je keus, ja heus
alles verandert
en gaat ten onder
Hoor, schrijf het voor!

Schrijf op!
hoe alles vervliegt en vervlucht
alles verdampt en verkrampt
alles lalt, alles valt,
alles zinkt en verdrinkt
en verzuipt
en gaat ten onder
en zo hoort het ook.

Hoort, schrijft het voort!

Jos Paardekooper


De scootmobielenstoet

Van alle scooters die er zijn
Is de scootmobiel het allerfijnst.
Geen brommer, fiets of autopet
Geeft zijn berijder zoveel pret.

Refr
Uit de weg, uit de weg!
Wie moet lopen die heeft pech.
Toet! Toet! Toet!
Daar komt de scootmobielenstoet!

Geen voertuig dat zo zalig rijdt
’t Verheft je tot de adelheid
je waant je ’n vorst in majesteit
een kardinaal in zijn habijt.
Toet! Toet! Toet!
Daar komt de scootmobielenstoet!

Je wordt door iedereen benijd
Wanneer je door de velden rijdt
Gesteund door onze overheid
In winter- en in zomertijd.
Toet! Toet! Toet!
Daar komt de scootmobielenstoet!

Je voelt je ’n hele piet of meid
Door fans en coaches begeleid
Daag je de Russen zelfs in ’t krijt
Guus Hiddinks trainingstrucs ten spijt.
Toet! Toet! Toet!
Daar komt de scootmobielenstoet!

’t Is of je over ’t water glijdt
of over ’n naadloos straattapijt
een mes dat door de boter snijdt
de wind die door je haren vlijt:

Uit de weg, uit de weg!
Wie moet lopen die heeft pech.
Toet! Toet! Toet!
Daar komt de scootmobielenstoet!

Jos Paardekooper

Gedicht ter gelegenheid van de vijfde Nationale Scootmobielendag, georganiseerd door de Gehandicaptenraad Deventer, op de eerste dag van de zomer van 2008.


WATER UIT STEEN

Brink, huiskamer van de stad.
Waar de reiziger wandelt, zit,
zich laaft aan bomen, plein,
decor van eeuwen steen.

Onder het goedkeurend oog
van een manshoog beeld
staat daar,
terug van
even weggeweest,
de pomp.
Schenker van gemeentepils
aan generaties
jaar na jaar.

Een druppel, een liter,
een emmer vol.
Bron aan de Brink.
Pomp voor het volk.
Water uit steen.

Dick Metselaar
Stadsdichter


Scootmobiel

We leven in een tijd van grote haast.
Seconden tikken weg, wíj moeten sneller.
We rijden graag sportief en sturen feller
en raken in ’t verkeer niet uitgeraasd.

In Diepenveen is 30 veel te traag,
ook Scootmobielbestuurders gingen klagen
dat de wethouder hún tempo wil vertragen.
Het energieverbruik moet onverwijld omlaag.

Och, laat ze toch begaan in het verkeer.
Meer uitlaatgas en stroom, wat kan het schelen,
wat maakt het uit voor onze atmosfeer.

Juist scootmobielen hebben haast, uit nood!
Ondanks de schrille roep om te onthaasten.
Want ziet, wie haalt hen bijna in…de dood!

Dick Metselaar
Stadsdichter Deventer


Bolwerksmolen

Daar kraken de balken
Daar ratelt de ketting
en zaagt weer de zaag

Molenwieken vangen wind
als de ledematen van een kind
dat radslag na radslag draait

De roeden zijn gestoken
Rechtop staat ze, fier
Haar molenkop pal in de wind

Wieken zwaaien naar de stad
in standen die praten
van rouw en van trouw

Het kraakt weer,
het draait weer
het zaagt weer de bomen tot hout

 

Dick Metselaar

 


Wordt vervolgd

De acties van De Hond nemen groteske vormen aan
En uit de bajes klinkt het steeds: ‘ik heb het niet gedaan,
het DNA, het nagelvuil, dat is toch geen bewijs?’
Ik houd mijn onschuld vol, als ‘t moet tot elke prijs

Nu is er weer een steen gelicht, maar zonder resultaat
Dus komt er straks een nieuwe rechtzaak, ditmaal over smaad
Zo langzaamaan verwordt de hele kwestie tot een soap
Het ‘wordt vervolgd’ duidt niet alleen op ‘t rechterlijk verloop

‘Ik ben onschuldig’, is het mantra, telkens weer herhaald
Maar het alibi was filterdun, ’t mobieltje ‘weggestraald’
We wachten rustig op De Hond z’n nieuwe episode
Maar Peter R. de Vries acht bewezen wie er doodde

Voor Deventer en de familie komt er maar geen rust
Wie komt er eens tot inkeer, wie voelt zich schuldbewust?

Dick Metselaar
Stadsdichter


Permanent toezicht

Je hoort heel vaak, ‘we voelen ons niet veilig’
Een blik, een klap; de lontjes zijn zo kort
Een mensenleven lijkt niet langer heilig
Je wordt zó in het ongeluk gestort

De stad is in het nieuws, al vele weken
Een weduwe kwam tragisch aan haar eind
De rechterlijke macht heeft het dossier bekeken
Maar ’t vonnis wordt door acties ondermijnd

De veiligheid, het toezicht en de regels?
De handhaving wordt hier en daar verzaakt…
Dankzij Maurice de Hond met al zijn pegels
wordt evenwel haar rustplaats permanent bewaakt

Dick Metselaar
Stadsdichter


Paasvuur in Lettele

Een lint van lichte lampions verlaat het dorp
Voorop de trommelaars en fakkeldragers
Nat land draagt de houten berg
Wind jaagt gestaag de vlammen op

Een baken van licht zuigt zuurstof aan
door zwarte wolken reikt de hitte naar de hoogste vlag
Vuur weerkaatst in duizend ogen
Vonkenregens bevruchten het land

Vier elementen, krachtig verbonden,
kondigen nieuw leven aan.
Oerfeest van de Germanen.

Uit de feesttent klinkt muziek
1 meter bier: 12 munten.
De jeugd ruikt de lente, het voorjaar kan beginnen

noot voor de mailgroep:
In 742 werd op een kerkvergadering in Regensburg (Duitsland)
het maken van lentevuren verboden.
Opmerkelijk dat dit heidens ritueel de eeuwen heeft doorstaan.  


Lucas 19:27

Het christelijk gezin gelooft het zelf nog niet
maar ‘t huisorgel wordt tóch vast afgestoft
En voordat vader thuis is neergeploft
giet moeder spruitjes af in het vergiet

En biddend, met de knietjes op het koude zeil,
dankt men voor het bericht per telefoon
Die rode stad heeft zich zonder vertoon
bekeerd tot christenunie en hun ‘heil’

‘De wereld is in zes dagen gemaakt’
is naar verluidt hun vreemde denkpatroon
’t Is hier dat Deventer de weg is kwijtgeraakt

Maar burgers in de stad, knalrood of liberaal
de vrije geesten dus, ze denken doodgewoon:
de mooie Hanzestad blijft antiklerikaal!

Dick Metselaar
Stadsdichter


Lof der Zotheid

Lof der Zotheid
Stof tot botheid
Mof, en fiets kwijt
sof en zeurtijd
pof en geld slijt
wat een rottijd

Lof der Zotheid
hof voor hooimeid
tof zich uitspreidt
grof en platheid
knof en kaasmijt
ben ik mooi kwijt

Lof der Zotheid
prof dus: godheid!
Sof! de bal kwijt
doffe arbeid
grondigheid: de
Go Ahead-stijd

Laf der Zatheid
Maffe platheid
Daf die doorrijdt
Straf,  geen vrijheid
Graf en zin kwijt
Najaarsmoeheid

O die Zotheid
van verslaafdheid
aan vormvastheid
en Latijnse
nauwgezetheid

Was Erasmus
maar een straatmeid
en verruilde
al zijn kuisheid
voor enorme
bandeloosheid

Dan was Dèemter
niet met scholen
vol behangen
maar bestond
die mooie stad
enkel nog
uit Bokkingshangen!

Dick Metselaar
Stadsdichter


Een signaal van vooruitgang

De mast prikt als een scherpe
naald de hemel in
De horizon wenkt niet meer
als voorheen

Geen einder van slechts
bos en lucht en steen
Een spriet van ijzer schiet
als onkruid in het beeld

We zijn en hebben graag mobiel
Wij willen overal bereik
Maar zetten met ons belgedrag
natuur en Deventer te kijk

Dick Metselaar
Stadsdichter


Boekenstad Deventer

Je slentert door de oude boekenstad en hoort, heel ver
de zachte cadans van een dieselmotor op de rivier
gedurig tikken van de voetgangerslichten
kinderstemmen die aanzwellen op het schoolplein
de trein die als een metalen slang de stad binnenrijdt
verwaaide klanken van het carillon

Auto’s remmen af en trekken op
Een fietser belt en remt, want hij heeft haast
Winkels dreunen wenkend disco naar de straat
Een marktkoopman vertelt van verse vis
Er valt een glas op het Brink-terras, er klinkt gelach
Zo, vol geluiden is vandaag, de dag

Je pakt een boek, en bladert wat
Je zit, en ziet een woord, nooit van gehoord
Lees, en lees en alles om je heen wordt stil
Nu vormt het boek geluiden in je hoofd
De klanken kleuren levendig de stad
Zo’n drukte om je heen, nog nooit zo’n rust gehad

Dick Metselaar
Deventer stadsdichter


Burgerweeshuis

Hier is de muziek
in de muren gesijpelt
In de hoek ligt nog
een daverend slotakkoord
Hier trillen nog
rood, blauw, gele lichten na
Bier, gemorst, houdt de danser vast
Carrières van maat en ritme
zijn geknakt of begonnen
Entreebewijzen
liggen als confetti verspreid
Stille getuigen op de grond
Op het binnenplein de zoete geur
van genot
Ruggen van handen,
bestempeld,
omarmen elkaar
Decibellen echoën na
in de oren
Als je eindelijk, het hoofd,
bevangen van de klanken,
op het kussen te rusten legt.

Dick Metselaar
Stadsdichter


Ode aan Theater Bouwkunde

Stevig, hoog en oudroze staat het gebouw.
Het stratenweb doet je aan vroeger denken.
Een etensgeur prikkelt de neus.
Het pand is onbewust aan ’t wenken.
Glazen klinken, lepels tikken,
kurken ploppen, flessen schenken.

Hier waart niet slechts de geest van Bacchus
maar van alle muzen, dochters van Zeus;
muziek, theater, wetenschap
vinden hier hun aardse thuis.
Je vlindert er van Muze naar Amuse
en rustig klinkt het restaurantgedruis

Ik tel ze niet, de zangers van de koren,
artiesten, dichters of de graag geziene gast,
die hier een nieuwe liefde vonden.
Een passie voor theater en muziek, maar
ook een nieuwe vriend, vriendin van vlees en bloed.
Kom, schenk de glazen vol met wijn of gueuze lambic!

Je volgt de weg, omhoog en ziet de dans, toneel.
Er klinkt een lied, de stoelen gaan opzij.
Je raakt ze bijna aan, de vele kunstvertolkers
en proeft de sfeer, dit gaat toch niet voorbij?!
Nu weet de gast: Bouwkunde te minnen.
Geen huis in Deventer streelt zó totaal de zinnen.

Dick Metselaar
Stadsdichter Deventer


Boxbergerweg

In Wesepe ontspring je in het groen,
vindt kronkelend je weg langs veld en weide.
Een buitenplaats, een boerderij terzijde,
de bomenrij. De berm lijkt een plantsoen.

In Eikelhof zie je het oude kruis,
weet Diepenveen nog rakelings te passeren.
Je voelt de warme stad, je kán niet keren.
Nog één rotonde, en dan ben je thuis.

Maar bij Daventria vertraagt jouw pas,
bij Auping moet je plotseling verdwijnen
om bij de Heuvel nogmaals te verschijnen
en weer de weg te worden die je was.

Eén tunnel nog. De monding komt in zicht.
Jij langste straat hebt na de renovatie
weer aanzien. Je raakt weer in de gratie
Daarom één vraag: wie maakt dat gat eens dicht?

Dick Metselaar
Stadsdichter Deventer

De Boxbergerweg is de langste straat van Deventer. Er liggen enorme villa’s aan maar ook winkels, boerderijen  en sociale woningbouw. De ‘monding’ van de straat is bepaald geen visitekaartje. Bijna alle winkeliers hebben veel werk gemaakt van hun nieuwe winkelstraat. De bezitter van het eerste kavel echter, aan de kop van de winkelstraat, zorgt voor een naargeestige aanblik. Een braakliggend terrein met veel troep en zwerfvuil. Zo wordt de poging van gemeentebestuur en winkeliersverenigign, om de Boxbergerweg te renoveren en een fris aanzien te geven, gefrustreerd.


Borgelerbad, een zwembad-idylle

Gebaseerd op feiten

Klam zwetend zette de man zich in de kleedruimte.
Hij pelt zijn kleren af, als de jaren van zijn leven.
Kleine zwarte fauna valt trillend op de vloer –
springend, dansend, huppelen zij weg.

Zijn witbleke huid is als een maanlandschap,
korstige kraters vormen roodbruine eilanden
in een aards kleurengamma.
De man staat op,

hij begeeft zich op weg
er knapt iets – open,
dan laat hij zich langzaam in het lauwe zachte
zwembadwater zakken
met in zijn kielzog een stoet van ongewassenen.
Het water sluit zich als een zachte zalf om
de stramme botten, de huid, de schilfers en de schimmels.

Mijn ooghoek signaleert beweging
de badjuffrouw neemt lusteloos haar plaats in
en kijkt lethargisch voor zich uit, zij doodt haar tijd
met tegels tellen.
Het bad loopt vol: bezoekers die
dagelijks reikhalzend uitzien naar een weekbeurt.

In mijn hoofd vormt zich een film van afscheiding,
golven van  de beweging
kokhalzend sla ik
slag na slag
mijn zwembadbaan.

(overdenking: inenten tegen vogelgriep,
het is de vraag of het helpt: een paar baantjes Borgelerbad
en je kunt er weer een tijdje tegen)


Bergpoortstraat

Leg je oor te luister
tegen de tijd.
Hoor het stampen, het dampen,
het zagen, het knagen.
Hoor geschreeuw van de bazen,
gevloek van de knechten.

Hoor het koken van vetten
en het maken van tonnen.
Hoor het malen, het persen,
het zeven en breken.
Luister, hoe geluiden
vergaan, in de tijd.

Zie, gebouwen herrijzen.
Geluiden hernemen de ruimte,
als het zachte gefluister
van twee geliefden,
als een lach van de buren
op het balkon.

Er klinken kindergeluiden
uit monden voor wie deze plek
de wereld is.
brekerij, ziederij, grutterij, kuiperij.
Voor hén mystiek haast.
Woorden leggen, in metaal,
een rijk verleden vast.

Dick Metselaar