Gedichten


De overkant

Het zijn niet de schattige blauwe
stervormige bloemetjes in het park
die zo heerlijk ruiken al heb ik ze daar
al die tijd voor aangezien en om geprezen
– ik zei zelfs nog zegt het voort! –
Het zijn die rare staketsels
met hun vals prikkende bladeren
aan de overkant langs het spoor.
Uit magere gele bolletjes stijgen
van onder duistergroene oksels
verleidelijke geuren op.
Over het hoofd zien kan je heel lang
volhouden. Had ik u al begroet?
Lang leve bermen van niks.

© 2011 Heleen Bosma

Eind maart, begin april zijn de blauwe bloemen in het gras aan de rand van het Rijsterborgerpark op hun blauwst, en de geurige planten op hun geurigst.


Randje

Je ziet het en zegt: o ja een randje
bij stad of dorp voor Roma
het bekende verloren terrein, maar
waarom ze witte woonwagens hebben,
altijd wit, waarom witte gipsen beelden,
een witte ram met opgeheven hoorns,
een wit meisje met wit kruiwagentje,
waarom kleine witte nepsteentjes
als buitenmuur, en in het midden
altijd een terras van grote grindtegels?
Je nadert een randje, maar je weet niks,
bent een witte vlek op je eigen kaart.

© 2011 Heleen Bosma


Lente

Als in het Rijsterborgherpark het speenkruid bloeit
en buurvrouw de buddleja snoeit,
als de boer zijn trekker smeert
en de koolmees zijn nestkast inspecteert,
als het handschoenenkoud is
de zon laag staat maar al wel even groet
heb je lekker de h-e-l-e lente nog te goed.

© 2011 Heleen Bosma


Hoog en geduldig

Zij vangen als eerste het licht uit de hemel,
zijn de hoge adel van stad en land,
ze glimmen de tijd met gouden wijzerplaten,
hebben de eeuwen aan hun kant.

Zij spreken elkaar op heldere dagen,
begeven zich tussen dageraad en bliksemflits,
weten elkaar in de mist en in de nacht,
weven een web van haan, hellehonden en spits.

Zij weten wat geduld is, niks kan tussen hen staan.
Vandaag bedacht, vandaag gestapeld, handgebakken
schudden zij van zich af wat riekt naar eigenwaan.

Zij koesteren de eeuwen, weten dat de tijd graag grapt,
passen op elkaar en onze vriend, hun makker.
Brommen: ‘Hé, Lebuinus, weer helemaal opgeknapt?’

De Lebuinuskerk dankt zijn naam aan de Angelsaksische missionaris Liafwin. De naam betekent lieve vriend. Liafwin ging de kerkgeschiedenis in onder de verlatijnste naam Lebuinus. De grootscheepse restauratie (in 2009 en 2010) van de Lebuinustoren is in november officieel afgerond.


De appel

Er hing een heel dikke appel aan een heel klein boompje in gul oktoberlicht.

‘Geknipt voor ons’, sprak Bouwkunde. ’Zo intiem!’

‘Hmm, dat kan geschilderd’, zei Het Kunstenlab en  stak voor de maatvoering alvast een duim in de lucht.

‘Een appel’, hapte de Schouwburg, ‘dat is voor alle mensen. Grote zaal, klip en klaar.’

‘Laten we vooral kijken naar de architectonische en stadsversterkende waarde van de oorspronkelijke muur rond de binnentuin van het fruitterrein!’, meende het Rondeel.’

‘Wij denken erover na’, aarzelde Studium Generale. ‘Zo’n appel, je kan er van alles van vinden.’

‘Verfilmen’, koesterde het Filmhuis. ‘Tot op het klokhuis. En dan drie dagen op de Brink.’

‘Fruitessays’, wist de Bibliotheek, ‘Of gedichten. Misschien een beetje scheppingsverhaal. En dan gratis laten reserveren.’

‘Festival van de boomgaard’, mompelde het Evenementenbureau.

‘Ja, en dat we de mensen zelf een appel laten maken!’, juichte de Leeuwenkuil.

‘Combineren met een peer, nee met een hele fruitmand’, peinsde het Productiehuis.

‘En dan onszelf een appelflauwte swingen!’,  verheugde zich het Burgerweeshuis.

‘Wij schatten de herkomst van de appel zeker uit de bloesemtijd’, rubriceerden de Deventer Musea. ‘Wij opteren voor de eigentijdse Deventer appel in retrospectief.’

‘Dit kan landelijk’, droomde de Kunsthal. ‘Dit kan groots, internationaal en toekomstig.’

‘Wij houden vast een kratje vrij in de kelder’, dacht het Stadsarchief vooruit.

Vijftien appels hingen aan een boom in gul oktoberlicht.

Heleen Bosma


Schimmig

Vandaag ging onze witte cavia dood.
Ze was er nog, maar ook al bijna weg.
Wij aaiden haar en zeiden:
je was een lieve cavia.
Vast en zeker dat ze het hoorde,
tellen later lag ze op haar zij
met haar pootjes twee aan twee.
Het was een overzichtelijk leven in één hand,
heengegaan, zeiden we, dood, gestorven.
Ze is verleden, zei het kind.

En steeds verscheen voor mijn ogen
de vrouw die ik niet ken,
zij woont in mijn vacuümhart,
het is er benauwd en je zou
er eens flink moeten luchten,
het herbergt een schimmige strijd
en de schrik van het kwaad.
Het is niet de dood
die mijn schimmen wekt,
het is de stilte van het gevecht,
de gemiste aai, en niemand die
je bent je was wij zullen zegt.

Een jaar geleden op 19 oktober trok een man met een witte bestelbus bij Lettele een vrouw van haar fiets. Ze vocht tot hij haar bewusteloos in de berm achterliet. De man is inmiddels opgespoord en veroordeeld. 21 oktober is de uitspraak in hoger beroep.


Averlo, voorjaar

Alsof je twee soorten veel hebt
een stadse van groot bij groot
en een veel van zwadden,
ruime lucht, aarde en ervaren,
van twee koeien per hectare.
Het is het klein gevoel,
zegt een jonge boer peinzend.
Het ontkiemt samen
met het zaad in de akkers,
waait als een inademing
tussen tipi’s, wolken en fluitenkruid.
In groot kan je verdwalen
in ruimte ben je overal op je plek
er is een zandpad naartoe,
soms is het ineens verdwenen.
Klein gevoel laat zich niet bewegwijzeren
je krijgt het onverwacht cadeau
een lichte zucht in een bocht, Averlo.

Averlo is een van de dertien buurtschappen in de gemeente Deventer. Het omvat enkele honderden boerderijen.

©  Heleen Bosma


Beste Canadese soldaat / Aan de Duitse soldaat

65 jaar Dodenherdenking Deventer

Twee gedichten, geschreven en voorgedragen op verzoek van het Deventer Comité Nationale Herdenking.

‘Bij de bevrijding deed een Duitse militair alsof hij zich wilde overgeven. Vlakbij de tank gekomen, schoot hij echter een Canadees neer.’ Pagina 131, Klakkende laarzen aan de IJssel, K.H. Vos, 1995.

Beste Canadese soldaat,

Weet je al dat je op bladzijde
honderd-een-en-dertig staat?
Je bent een zin geworden
in een hoofdstuk in een boek.

In het boek dragen mannen helmen,
gaan de ‘Canadeezen over den IJsel’
vallen bruggen in het water,
is vroeger een register
en nu een logisch later.

Geen happy end, maar dat wist je al,
meer een barst in de kosmos,
en aan het eind een mank begin,
een zege waar je haast in gaat geloven
tot jij sneuvelt in een zin.

Waar zou je ook moeten beginnen met vertellen,
als je alles wat het weten waard was zou verklaren,
als je alles wat het leven waard was zou bewaren,
had je een oorlog op papier.

Beste Canadese soldaat,
je bent een zin in duigen,
omlijst door witregels vol tranen,
vol van hoe het zout de zee weer zocht,
vol van hoe alle moeders voorgoed
de smaak veranderden van alle oceanen.

tweede gedicht van tweeluik

Aan de Duitse soldaat,

Is er een tijdstip denkbaar
waarop we laten weten
dat het wel volstaat,
dat u tevoorschijn kunt komen
van onder het bed?
Dat we u vergeven, dat u al
vijfenzestig jaar hebt moeten leven
met de priemende blik van Hein?

Zou u bereid zijn de sprei aan de kant
te schuiven, tevoorschijn te kruipen als
we beloven niet meer te schieten
met schaamte en schuld?
Zou u dan durven dromen van dromen
zonder fantomen. Van vredestijd?
En kan ik u bij het opkrabbelen
misschien een arm reiken?

Achter mij kijk ik bevreesd
naar het monster onder mijn eigen bed,
een welbekend silhouet, dat zegt:
‘Ik hoop maar dat je dapper bent
als de toekomst alleen het antwoord heeft,
het verleden nog geen uitleg geeft,
dat je weerstand biedt, van wanten weet
als de nood is aan de man,
je bent nogal bang aangelegd,
– boe in het donker en daar ga je al –
ik ben er lang niet zeker van.’

© 2010 Heleen Bosma


Ode aan de Deventer brandweer

Aan water is soms niet zo
heel veel te begrijpen
bij hoog dansen de vissen
bij laag vind je verroeste fietsen
en bij tegenslag ten onder
wil je weer naar boven.

Blijf je haken achter oude ankers?
Kan je de stromingen niet duiden?
Klinkt engelengezang?
Hoor je de klokken luiden?
Wie de luchtbellen te lang
van te dichtbij kan tellen
wil eindigen in sterke armen
aan een navelstreng ad interim
als toen alles in water ooit begon.

Houd moed, kop op,
wacht ademloos op lucht,
blijf hopen op een wonder
voor jou, speciaal voor jou,
duikt iemand kopje-onder.

© 2010 Heleen Bosma

De Deventer brandweer mag niet langer duiken volgens de moderne techniek waarbij lucht door een slang wordt aangevoerd vanaf de wal. De inspectie verplicht tot de oudere techniek met de gasfles op de rug. De duikers vrezen voor hun veiligheid en gaan niet langer te water.


Bord

Deventer Gedicht naar aanleiding van een vrijwel vergaan bord in het Wechelerveld, aan de kant van Schalkhaar.

Bord

De borden waarop ooit iets
ten strengste verboden is geweest,
staan op vergeten percelen
in de schaduw van verwaaide bomen
achter uitgedijde hagen.
Niks is ervan over dan schroefgaten,
een vermolmde paal, een rechthoek roest.

Wat heeft hier niet gemogen?
Pissen tegen bomen,
hazen wurgen,
beminnen in het struikgewas?
Of moest er iets wel?
Eet op die schillen en dozen,
hark streepjes binnen de perken en kijk
– wees stil! – op kousenvoeten
hoe ver ze strekt, de blauwe lucht,
en rap een beetje.

Een rechthoek roest, grijp kansen, nu.
Ontsnap door de kogelgaten in oud ijzer,
laat het zweet onder oksels verdampen,
drapeer hardnekkige dreigementen
naast het bankje in de prullenbak.
Doe wat je wilt, en doe het snel,
ergens in een kille loods
staat altijd weer een leesbaar bord
klaar in de grondverf.

Heleen Bosma


Pierkesmars, 5 januari

Wit ingepakt ligt klaar
het land van Pierkesmars.
De weldaad van weinig,
een paaltje toegedekt met sneeuw.
In de berm slaapt een dode hond,
luistert met zachte oren
naar gedruis van is gedaan.

Het is gedaan, het nieuwe jaar
is ingekust, er mag gerust
zwijgen de grijze bomen.
We hebben elkaar, we hebben nog hooi
en zien vanzelf wat er tevoorschijn komt
bij het ontdooien.

Heleen Bosma

2010 – Deventer kent dertien buurtschappen. Pieriksmars, of Pierkesmars zoals
de bewoners zelf zeggen, is daar een van.


Stadshaven

Wees maar zo zeker niet
van eeuwig en altijd,
er zinkt nogal eens wat
naar de bodem, van tradities
en we-hebben-het-toch-goed,
geen vissersfuik of pikhaak
die daar wat tegen doet.
Nog even, alles keert zich
in het leven, en we dreggen
de geschiedenis op.
Nog even en ooit splinternieuw
moet op de schop.
Nog even  en er spoelt een haven aan,
zie de tijd grinnikend op de kade staan.

Heleen Bosma

Al lange tijd gaan er stemmen op de oude Deventer stadshaven weer in ere te herstellen.
Inmiddels liggen er verschillende plannen van verschillende initiatiefnemers.  


Zus

Je bent nog niet uit tijd geweven
de stem van juf klinkt ondraaglijk lang
je tuurt naar een wandplaat naast dichte gordijnen
zoekt zuurstofhappend naar samenhang
tussen apen, noten, poezen,
vergeelde kezen, kale doezen,
het e’tje in weide, haast een speldenknop,
de streepjes bij scha-pen, ertussen én er bovenop.
En waarom heet wim niet broertje maar zus wel zus?
Jaren later, de wereld leest al ‘maan roos vis’,
leer je een tante kennen, die helemaal niet je tante is,
wel tante Zus, hmm, zó zit dat dus.

De dubbele bodem
en daarmee voet aan de grond krijgen
waar dan ook.
Maar eerst niet weten dat je lezen kan,
alleen weten dat je daar wilt zijn,
bij letters,
bij desnoods het leesplankje,
bij saaie maar-er-is-niks-anders uit elkaar vallende boekjes,
bij het etiket van de pindakaas
bij middagen opstellen maken met vieze woorden waar je
veel sneller dan je wilt, blijft steken wegens onwetendheid,
bij het boodschappenlijstje van de jongen die, steeds één ding,
meer dan honderd keer boodschappen wil doen op een dag,
een langere lijst dan je ooit zag.

Pas veel later boeken
en ademloos dichterbij dan je ooit
bij iemand was geweest,
ook bij jezelf.

©2009 Heleen Bosma

M.B. Hoogeveen, schoolhoofd van de latere Hagenpoortschool, ontwikkelde in Deventer in circa 1897 het leesplankje ‘raam roos neef’ dat de voorloper was van het latere ‘aap noot mies’.
Dit gedicht is geschreven voor de Week van de Alfabetisering 2009.


Eiland

Enkel water om mijn randen
Ingebed in geulen:
Luctor et emergo.
Altijd nattigheid om handen
Niemendal te heulen
Daarom steeds a tergo.

Op verzoek van De Eierlandpers te Schalkhaar, ten behoeve van een leporello De IJssel, samengesteld door De Hanzepersen. Deze vierde uitgave van De Hanzepersen, een collectief van drukkers langs en rondom de IJssel, verscheen in maart 2009, in een oplage van 74 exemplaren.


Een jaar Deventer Ziekenhuis

Zo kom ik aan:
over het Mensinksdijkje of de Bolkesteinlaan
met sirenes of muisstil
omdat ik moet of omdat ik wil
in mijn eentje of met mijn lief
in mijn hand de brief
met adres, routes, cryptische termen,
een naam om over te ontfermen

Ik kom sprakeloos, ik kom met vragen
ik kom op afspraak of onverwacht
ik kom driehonderdvijfenzestig dagen
ik kom middenin de nacht
ik kom door regen, zon, mist, wind
ik kom voor vader, moeder, mijzelf, mijn kind

Ik per buik, ik kom met rollator
ik kom acuut, ik kom wat later
Ik blijf maar even, ben zo weer weg
of heb pech, blijf een nachtje
of zelfs langer
ben zorgeloos of banger
dan ik dacht dat ik zou zijn
hoop op cijfers en Latijn
hoop en wens
zie mij leven
zie mij, een mens

© Heleen Bosma


Voor de veteranen

Veteraan, lees: oudgediend
Klinkt als: uitgediend
Voelt als: afgedankt.
Op de plaats rust
Naast de laatste rustplaats
Van hen die vielen.

Maar tussen vallen en opstaan
Sneven en overleven
staat vaak alleen het toeval.

Jos Paardekooper,
Deventer, Veteranendag 2009


Genoeg geduld

en
zo hoort het ook het oude
moet altijd wijken voor het nieuwe
precies veertig dagen zijn ze geduld
de verse glazen de glazen verzen
de heilige huisjes in hun plantsoen

maar
toen zijn ze met alle geweld
want het geduld was op
uit hun quarantaine gebroken
in het plantsoen hun plantsoen
‘er is een poëzie die wij afschaffen’

want
soms gaat het van au het herscheppen
van oude kunst in nieuwe vooral als
aanstormend talent op dichterspad gaat
met koevoet en breekijzer de vulpen
van de beeldhouwer bij de hunnen
.

Gedicht ter gelegenheid van de herinrichting van het Dichterspad in het Nieuwe Plantsoen, door een nieuwe, nog onbekende generatie Deventer dichters; hun eerste, vooralsnog niet openbare optreden bestond uit het op ceremoniële wijze aan gruzelementen slaan van alle onlangs aangebrachte dichtkunstwerken in dit dichterspad.


Een Pentagon in Moskou aan de IJssel

Eens was er het gestage van de dagelijkse gang
Langs es en enk en over het Graveland
Zag je het trage trekken van het paardenspan.
Maar onweerstaanbaar naderde de stad, en eerlang
Kregen makelaar en masterplan de overhand.

Nu is de buurt verduurzaamd en verkaveld
In Voorden, Jeurlink, Fetlaer, Op den Haar,
Er wordt des avonds honderdvoud getafeld
Voorheen het lege land is nu beteugeld en ontrafeld
We krijgen en we doen het met en voor elkaar.

Jos Paardekooper

Dit gedicht over De Vijfhoek werd geschreven ter gelegenheid van het festival ‘Kunst om de hoek’, dat zich afspeelde in De Vijfhoek, en dat op zondag 8 juni 2008 in ‘De Ulebelt’ officieel van start ging.
De woorden ‘het lege land’ zijn een knipoogje naar en een hommage aan het gelijknamige meesterwerk van Auke van de Woud.
Het gedicht is niet geheel toevallig geschreven in de vorm van een  ‘pentagoon’, ‘kwintijn’of op z’n Nederlands een ‘vijfhoek’: elke strofe bestaat uit vijf regels, met het rijmschema abaab. Met een eenvoudig, toevallig ook op ‘De Vijfhoek’ toepasbaar voorbeeld:

Een cirkel heeft geen hoeken
Een vierhoek heeft er vier
Dat staat in alle boeken
Maar een vijfhoek moet je zoeken
Die vind je enkel hier.


Deventerkermislied

Vrij naar: G.A. Bredero, ‘Boeren gezelschap’

Arent Pieter Gijsen, Jan-Joost en Zerko Zwaan
Die wilden naar de Deventer zomerkermis gaan –
Zo gezeid en zo gedaan.
Men ging op pad, kwam hallef zat
Op ’t Grote Kerkhof aan.

Arent Pieter Gijsen was fors en goed gebruind;
Spijkerbroek en T-shirt, en een petje op z’n kruin,
Wat scheefjes en wat schuin.
De tanden bloot, de handen groot,
Elkeen was goed geluimd.

Toen dan dit volkje te Deventer aankwam,
Troffen ze daar Remco en Luuk en Joris Kram,
En Ronald Breugelmans;
Met Bernard Vorst, Joop van der Horst
En Adri Dubbeldam.

De meisjes van Schalkhaar en de Colmschater-buurt
Die hadden heur wangen zo wonder geplamuurd,
O ze werden zo begluurd!
En kijk Katrien had van Carien
Een legging ingehuurd.

In de Zevende Hemel daar werd toen zo geschranst,
Gedobbeld, gedronken, gezongen en gedanst,
Geflikflooid en gesjanst.
Men riep om wijn, het moest zo zijn,
Want heerlijk duurt het langst.

Maar Laura en Linda die hadden zo’n plezier
In ’t steegje van Sint Jan en in ’t gras bij de rivier,
Verhit door wijn en bier
Werd onvermoeid gedold, gestoeid,
Ach, ’t was zo’n zoet vertier.

Benevelde Arent, die trok het eerste mes,
Luuk in een reflex sprong dadelijk met een fles
Voor z’n maten in de bres.
Het was geen grap, daar viel een klap,
En nog een stomp vijf zes.

De meisjes die waren al gillend weggesneld,
Bang voor de gevolgen van het zinderend geweld,
Luuk lag al uitgeteld,
Verkrampt van pijn, het moest zo zijn,
Door messteken geveld.

Zerko nam een barkruk die bij de tapkast stond,
Stoelen en tafels, ja alles vloog in ’t rond
Wat zich binnen maar bevond
Ging door de ruit – ’k nam een besluit:
’t Werd mij te ongezond.

Gij dames en heren, beschaafd, welopgevoed,
Mijd die stoeipartijen: ze zijn zelden zo zoet
Of  ’t kost iemand z’n bloed.
Dus drink met mijn een glaasje wijn,
Dat is u wel zo goed.

Jos Paardekooper, Deventer, 1 juni 2009


That day

After all these years – not a single
day had passed without her thinking
of  that day, in May;
he would never return.

He was taken away,
in his dry-cleaned suit,
with his checked necktie,
a present of his wedding day.

She thought of his raincoat
and the colour of his shy eyes
and the smell of his dry skin after shaving
and the smell of his naked skin before shaving.

He would never return,
that day, in May.

Jos Paardekooper