Gedichten


Het rijk alleen

de ruimte is beperkt, in het hele land moet
worden gewerkt, maar economie is een oud
Haags woord, iets met vis die duur betaald
wordt, en alleen van de dood ben je altijd
verzekerd, er dient namelijk bezuinigd en
sociaal bekrompen,

de overalls en rubber laarzen verdwenen
uit het straatbeeld, de Hogeschool is verdwenen
en café De Heks staat ook in Madurodam;
de stad verandert, de stad loopt leeg, maar
de A1 en buitenwijken vol, onontkoombaar
wordt de stad geschrapt

behalve dan uit toeristengidsen en folders,
want verandering is van alle tijden,
maar wennen wordt het
wel

© Lammert Voos


Nooduitgang

Voor Raymond Westendorp
als het leven zuigt
en er geen andere weg meer is
dan de muur van de separeer
valt er dan nog iets te repareren
is lichamelijke integriteit dan
niet meer dan een vage wens?

als het leven zuigt
en er nog maar één uitgang overblijft,
dat begrepen die artsen
wel, doorbehandelen had geen
zin, maar wie geeft nou toe dat
er soms geen antwoorden zijn

zit dan de oplossing besloten
in zwijggeld, hoewel die urn
of marmeren steen zijn eigen
verhaal vertelt, dat verhaal
van een jonge man en zijn
drang tot zelfvernietiging

als het leven zuigt, oordeel
dan niet, want over deze
getuigenis van een sterke
wil schieten woorden, wetten
en daden ernstig tekort, er was
geen uitgang meer, behalve

© Lammert Voos

Vandaag 3 november stond het trieste verhaal van Raymond Westendorp in de Volkskrant. In een rapport rijst een beeld van ziekenhuisartsen van het Deventer ziekenhuis die geen trek hebben in een lastige onberekenbare man. Raymond wilde dood en had zich in een separeercel hard en gericht laten vallen. Hij bleek hier hersenletsel bij te hebben opgelopen, maar een neuroloog besliste hem niet te op te nemen: Raymond zijn veiligheid zou niet te garanderen zijn. Hij raakte in de GGZ-instelling in coma en overleed zes dagen later. Een verhaal over de onmacht van zowel hulpverleners als patiënt.


Licht

naar boven, langs de Lebuïnus over de
would be boulevard snellen auto’s die
elkaar beschijnen met koplampen, skyline is
geen Deventer woord, toeristen treuzelen met hun
gidsjes in de binnenstad en schemering bestaat niet,
vrolijke helle ballonen boven de promenades
verhelderen koopzucht

schittering langs de rivier, aan de kade
een opgeknapte rijnaak, twee rondvaartboten
en een pont, schilderachtig onder de ronde
toren en ziet u rechts van u de Wilhelminabrug,
uitbundig fonkelend in het donkere water,
de stroom: zou die er ook nog zijn
voor onze nazaten?

© Lammert Voos


Tas

Annie hou jij m’n tassie effe vast,
en hou hem ook even wijd open dan,
want onbehagen en angst maakt geen onderscheid,
we zijn allen even verdacht
in de ogen van de middenstand
ieder mens als potentiële crimineel
we maken geen onderscheid tussen zwart en blank,
ongeschoren of glad kinnetje,
we zijn voor iedereen even bang,
echt voor iedere klant
controle is het toverwoord,
over uw en mijn portemonnee,
maar vooral die van de supermarkthouder,
we zijn nu eindelijk definitief in het tijdperk
van big brother beland
binnenkort worden onze kinderen
op de kleuterschool bij binnenkomst
al op wapenbezit gescand,
jong beginnen is het credo,
wantrouwen nestelt zich immers gemakkelijk
in plooibaar kinderverstand
© Lammert Voos (oktober 2011)


Plan van aanpak

wij hebben u in het snotje,
u neemt ons niet langer in het ootje
uw titel mag dan onschuldig klinken
wij weten u een wolf, een wolf in
wolfskleren

het valt daarom niet mee u te herkennen
immers, iedereen heeft tegenwoordig tattoos
en een leren jack is ook snel aangeschaft
de nieuwe mode onder mannen is de aloude
galeislavenlook

u wenst niet af te rekenen of uw gedrag in te tomen,
het geeft allemaal niets, een rode kaart snoert u de mond en
u bent niet meer welkom, onze serveersters
werken u eensgezind met gepast geweld
weer naar buiten

meneertje, wij noemen u vanaf nu een lastpak,
u zult onder de indruk zijn, wij tekenden
een convenant, maakten een plan van aanpak
dat stoer klinkt, dat zul u leren! u bent
nergens meer welkom!

de lastpak, hij trok zich van de regels
niets aan, dus om hem in het gareel te krijgen
verzonnen we gewoon een paar nieuwe; iedereen
bleef lekker bezig en het stond zo leuk op
cv en strafblad:

ik ben de man die de lastpakkenaanpak verzon &
ik ben de lastpak die lachte om het plan van aanpak

© Lammert Voos


De nieuwe nar

goedemiddag, gaat u rustig zitten,
ik zal me even voorstellen:
mijn naam is Voos

ik ben uw nieuwe nar, presenteer
sigaren uit uw eigen doos en zal
de dingen zeggen die u niet graag hoort

ik trek mijn jasje uit, stroop de mouwen
hoog, zet mijn modieuze hoed af en
een clownsneus op

beledig u met lachend gezicht,
met een vilein stukje, vers of
zoetgevooisd gedicht

maar wees gewaarschuwd,
ik hou niet van rijm en ik
spoor niet helemaal

ik ben uw nieuwe nar
en u zult van mij horen
de komende twee jaar

© Lammert Voos


Wij

wij zijn de naamloze buren die u liever niet ziet
wij zijn de angst voor de verandering, de moskee
en de vrouwen met hoofddoekjes op de markt die
u niet verstaat, het opgehoopte vuil aan de kant
van de straat

wij zijn hannekemaaiers, Hugenoten en joden
wij zijn zeelui uit Duitsland, Denemarken, en Polen
wij zijn Hanze, Friezen en Groningers, Drenten
en Sallanders opgegroeid met internationaal verkeer
langs de rivier

wij zijn het vooroordeel, de angstige burger die wil
dat alles bij het oude blijft, wij zijn onbegrip en haat,
de grimmige kreten van de straat, wij zijn het onvermogen
en de onwil om te delen, wij waren immers
het eerste hier

deze stad is van ons en niet van hen, al die kleuren
en nieuwe geuren, eettentjes met wat de boer niet
kent dat vreet hij niet en dan die knoflook nog, wij
zijn balkenbrij en bloedworst, zure kool erbij, wij
zijn zoute haring

maar

wij zijn net zo bang als u en wij verstaan jullie
ook niet en wij eten nooit rauwe vis met uitjes, vinden
die rare Nederlanders maar rare snuiters, met hun carnaval
zuipfeesten en geschreeuw tijdens het voetbal en wij
wij willen ook

gewoon ergens thuis zijn

en waarom kan dat niet hier, we
werkten hard voor jullie en bij ons is het oorlog
of mag ik soms niet denken wat ik denk, maar mijn
familie is niet hier, wij zijn geen complete wij, mogen wij
een beetje wij met jullie zijn?

© Lammert Voos


Moskou aan de IJssel

het rood is reeds gestorven, verbleekt,
verpatst, de idealen gesmoord in blinde
ambitie en bestuurlijke arrogantie en na
het debacle van een peperdure architect
achtergebleven met lege handen, schakelt
men nota bene juist hem weer in en de parallel
met het grote voorbeeld is onmiskenbaar,
willekeur of vriendjespolitiek, de schijn is tegen

de idee van de maakbaarheid van mens en maatschappij
ten onder gegaan door onvermogen en willekeur
rood bleek slechts een zoveelste betekenisloze kleur
van nieuwe heersers die zich vastklampen aan hun heerschappij

prachtwijk noem je het dus maar, daar waar het
vuil zich ophoopt, moeders hun kinderen
binnen houden, mensen zich verschuilen
voor elkaar, scootertjes jankend door de
straten razen, projecten worden afgeblazen,
huizen dichtgetimmerd zijn en nergens
is stilte, rust of welbehagen en leefbaarheid
is er maar een holle kreet

de beste stuurlui staan meestal aan de wal
maar niet in de rivierenwijk of aan de IJssel

© Lammert Voos (augustus 2011)


De overkant

Het zijn niet de schattige blauwe
stervormige bloemetjes in het park
die zo heerlijk ruiken al heb ik ze daar
al die tijd voor aangezien en om geprezen
– ik zei zelfs nog zegt het voort! –
Het zijn die rare staketsels
met hun vals prikkende bladeren
aan de overkant langs het spoor.
Uit magere gele bolletjes stijgen
van onder duistergroene oksels
verleidelijke geuren op.
Over het hoofd zien kan je heel lang
volhouden. Had ik u al begroet?
Lang leve bermen van niks.

© 2011 Heleen Bosma

Eind maart, begin april zijn de blauwe bloemen in het gras aan de rand van het Rijsterborgerpark op hun blauwst, en de geurige planten op hun geurigst.


Randje

Je ziet het en zegt: o ja een randje
bij stad of dorp voor Roma
het bekende verloren terrein, maar
waarom ze witte woonwagens hebben,
altijd wit, waarom witte gipsen beelden,
een witte ram met opgeheven hoorns,
een wit meisje met wit kruiwagentje,
waarom kleine witte nepsteentjes
als buitenmuur, en in het midden
altijd een terras van grote grindtegels?
Je nadert een randje, maar je weet niks,
bent een witte vlek op je eigen kaart.

© 2011 Heleen Bosma


Lente

Als in het Rijsterborgherpark het speenkruid bloeit
en buurvrouw de buddleja snoeit,
als de boer zijn trekker smeert
en de koolmees zijn nestkast inspecteert,
als het handschoenenkoud is
de zon laag staat maar al wel even groet
heb je lekker de h-e-l-e lente nog te goed.

© 2011 Heleen Bosma


Hoog en geduldig

Zij vangen als eerste het licht uit de hemel,
zijn de hoge adel van stad en land,
ze glimmen de tijd met gouden wijzerplaten,
hebben de eeuwen aan hun kant.

Zij spreken elkaar op heldere dagen,
begeven zich tussen dageraad en bliksemflits,
weten elkaar in de mist en in de nacht,
weven een web van haan, hellehonden en spits.

Zij weten wat geduld is, niks kan tussen hen staan.
Vandaag bedacht, vandaag gestapeld, handgebakken
schudden zij van zich af wat riekt naar eigenwaan.

Zij koesteren de eeuwen, weten dat de tijd graag grapt,
passen op elkaar en onze vriend, hun makker.
Brommen: ‘Hé, Lebuinus, weer helemaal opgeknapt?’

De Lebuinuskerk dankt zijn naam aan de Angelsaksische missionaris Liafwin. De naam betekent lieve vriend. Liafwin ging de kerkgeschiedenis in onder de verlatijnste naam Lebuinus. De grootscheepse restauratie (in 2009 en 2010) van de Lebuinustoren is in november officieel afgerond.


De appel

Er hing een heel dikke appel aan een heel klein boompje in gul oktoberlicht.

‘Geknipt voor ons’, sprak Bouwkunde. ’Zo intiem!’

‘Hmm, dat kan geschilderd’, zei Het Kunstenlab en  stak voor de maatvoering alvast een duim in de lucht.

‘Een appel’, hapte de Schouwburg, ‘dat is voor alle mensen. Grote zaal, klip en klaar.’

‘Laten we vooral kijken naar de architectonische en stadsversterkende waarde van de oorspronkelijke muur rond de binnentuin van het fruitterrein!’, meende het Rondeel.’

‘Wij denken erover na’, aarzelde Studium Generale. ‘Zo’n appel, je kan er van alles van vinden.’

‘Verfilmen’, koesterde het Filmhuis. ‘Tot op het klokhuis. En dan drie dagen op de Brink.’

‘Fruitessays’, wist de Bibliotheek, ‘Of gedichten. Misschien een beetje scheppingsverhaal. En dan gratis laten reserveren.’

‘Festival van de boomgaard’, mompelde het Evenementenbureau.

‘Ja, en dat we de mensen zelf een appel laten maken!’, juichte de Leeuwenkuil.

‘Combineren met een peer, nee met een hele fruitmand’, peinsde het Productiehuis.

‘En dan onszelf een appelflauwte swingen!’,  verheugde zich het Burgerweeshuis.

‘Wij schatten de herkomst van de appel zeker uit de bloesemtijd’, rubriceerden de Deventer Musea. ‘Wij opteren voor de eigentijdse Deventer appel in retrospectief.’

‘Dit kan landelijk’, droomde de Kunsthal. ‘Dit kan groots, internationaal en toekomstig.’

‘Wij houden vast een kratje vrij in de kelder’, dacht het Stadsarchief vooruit.

Vijftien appels hingen aan een boom in gul oktoberlicht.

Heleen Bosma


Schimmig

Vandaag ging onze witte cavia dood.
Ze was er nog, maar ook al bijna weg.
Wij aaiden haar en zeiden:
je was een lieve cavia.
Vast en zeker dat ze het hoorde,
tellen later lag ze op haar zij
met haar pootjes twee aan twee.
Het was een overzichtelijk leven in één hand,
heengegaan, zeiden we, dood, gestorven.
Ze is verleden, zei het kind.

En steeds verscheen voor mijn ogen
de vrouw die ik niet ken,
zij woont in mijn vacuümhart,
het is er benauwd en je zou
er eens flink moeten luchten,
het herbergt een schimmige strijd
en de schrik van het kwaad.
Het is niet de dood
die mijn schimmen wekt,
het is de stilte van het gevecht,
de gemiste aai, en niemand die
je bent je was wij zullen zegt.

Een jaar geleden op 19 oktober trok een man met een witte bestelbus bij Lettele een vrouw van haar fiets. Ze vocht tot hij haar bewusteloos in de berm achterliet. De man is inmiddels opgespoord en veroordeeld. 21 oktober is de uitspraak in hoger beroep.


Averlo, voorjaar

Alsof je twee soorten veel hebt
een stadse van groot bij groot
en een veel van zwadden,
ruime lucht, aarde en ervaren,
van twee koeien per hectare.
Het is het klein gevoel,
zegt een jonge boer peinzend.
Het ontkiemt samen
met het zaad in de akkers,
waait als een inademing
tussen tipi’s, wolken en fluitenkruid.
In groot kan je verdwalen
in ruimte ben je overal op je plek
er is een zandpad naartoe,
soms is het ineens verdwenen.
Klein gevoel laat zich niet bewegwijzeren
je krijgt het onverwacht cadeau
een lichte zucht in een bocht, Averlo.

Averlo is een van de dertien buurtschappen in de gemeente Deventer. Het omvat enkele honderden boerderijen.

©  Heleen Bosma


Beste Canadese soldaat / Aan de Duitse soldaat

65 jaar Dodenherdenking Deventer

Twee gedichten, geschreven en voorgedragen op verzoek van het Deventer Comité Nationale Herdenking.

‘Bij de bevrijding deed een Duitse militair alsof hij zich wilde overgeven. Vlakbij de tank gekomen, schoot hij echter een Canadees neer.’ Pagina 131, Klakkende laarzen aan de IJssel, K.H. Vos, 1995.

Beste Canadese soldaat,

Weet je al dat je op bladzijde
honderd-een-en-dertig staat?
Je bent een zin geworden
in een hoofdstuk in een boek.

In het boek dragen mannen helmen,
gaan de ‘Canadeezen over den IJsel’
vallen bruggen in het water,
is vroeger een register
en nu een logisch later.

Geen happy end, maar dat wist je al,
meer een barst in de kosmos,
en aan het eind een mank begin,
een zege waar je haast in gaat geloven
tot jij sneuvelt in een zin.

Waar zou je ook moeten beginnen met vertellen,
als je alles wat het weten waard was zou verklaren,
als je alles wat het leven waard was zou bewaren,
had je een oorlog op papier.

Beste Canadese soldaat,
je bent een zin in duigen,
omlijst door witregels vol tranen,
vol van hoe het zout de zee weer zocht,
vol van hoe alle moeders voorgoed
de smaak veranderden van alle oceanen.

tweede gedicht van tweeluik

Aan de Duitse soldaat,

Is er een tijdstip denkbaar
waarop we laten weten
dat het wel volstaat,
dat u tevoorschijn kunt komen
van onder het bed?
Dat we u vergeven, dat u al
vijfenzestig jaar hebt moeten leven
met de priemende blik van Hein?

Zou u bereid zijn de sprei aan de kant
te schuiven, tevoorschijn te kruipen als
we beloven niet meer te schieten
met schaamte en schuld?
Zou u dan durven dromen van dromen
zonder fantomen. Van vredestijd?
En kan ik u bij het opkrabbelen
misschien een arm reiken?

Achter mij kijk ik bevreesd
naar het monster onder mijn eigen bed,
een welbekend silhouet, dat zegt:
‘Ik hoop maar dat je dapper bent
als de toekomst alleen het antwoord heeft,
het verleden nog geen uitleg geeft,
dat je weerstand biedt, van wanten weet
als de nood is aan de man,
je bent nogal bang aangelegd,
– boe in het donker en daar ga je al –
ik ben er lang niet zeker van.’

© 2010 Heleen Bosma


Ode aan de Deventer brandweer

Aan water is soms niet zo
heel veel te begrijpen
bij hoog dansen de vissen
bij laag vind je verroeste fietsen
en bij tegenslag ten onder
wil je weer naar boven.

Blijf je haken achter oude ankers?
Kan je de stromingen niet duiden?
Klinkt engelengezang?
Hoor je de klokken luiden?
Wie de luchtbellen te lang
van te dichtbij kan tellen
wil eindigen in sterke armen
aan een navelstreng ad interim
als toen alles in water ooit begon.

Houd moed, kop op,
wacht ademloos op lucht,
blijf hopen op een wonder
voor jou, speciaal voor jou,
duikt iemand kopje-onder.

© 2010 Heleen Bosma

De Deventer brandweer mag niet langer duiken volgens de moderne techniek waarbij lucht door een slang wordt aangevoerd vanaf de wal. De inspectie verplicht tot de oudere techniek met de gasfles op de rug. De duikers vrezen voor hun veiligheid en gaan niet langer te water.


Bord

Deventer Gedicht naar aanleiding van een vrijwel vergaan bord in het Wechelerveld, aan de kant van Schalkhaar.

Bord

De borden waarop ooit iets
ten strengste verboden is geweest,
staan op vergeten percelen
in de schaduw van verwaaide bomen
achter uitgedijde hagen.
Niks is ervan over dan schroefgaten,
een vermolmde paal, een rechthoek roest.

Wat heeft hier niet gemogen?
Pissen tegen bomen,
hazen wurgen,
beminnen in het struikgewas?
Of moest er iets wel?
Eet op die schillen en dozen,
hark streepjes binnen de perken en kijk
– wees stil! – op kousenvoeten
hoe ver ze strekt, de blauwe lucht,
en rap een beetje.

Een rechthoek roest, grijp kansen, nu.
Ontsnap door de kogelgaten in oud ijzer,
laat het zweet onder oksels verdampen,
drapeer hardnekkige dreigementen
naast het bankje in de prullenbak.
Doe wat je wilt, en doe het snel,
ergens in een kille loods
staat altijd weer een leesbaar bord
klaar in de grondverf.

Heleen Bosma


Pierkesmars, 5 januari

Wit ingepakt ligt klaar
het land van Pierkesmars.
De weldaad van weinig,
een paaltje toegedekt met sneeuw.
In de berm slaapt een dode hond,
luistert met zachte oren
naar gedruis van is gedaan.

Het is gedaan, het nieuwe jaar
is ingekust, er mag gerust
zwijgen de grijze bomen.
We hebben elkaar, we hebben nog hooi
en zien vanzelf wat er tevoorschijn komt
bij het ontdooien.

Heleen Bosma

2010 – Deventer kent dertien buurtschappen. Pieriksmars, of Pierkesmars zoals
de bewoners zelf zeggen, is daar een van.


Stadshaven

Wees maar zo zeker niet
van eeuwig en altijd,
er zinkt nogal eens wat
naar de bodem, van tradities
en we-hebben-het-toch-goed,
geen vissersfuik of pikhaak
die daar wat tegen doet.
Nog even, alles keert zich
in het leven, en we dreggen
de geschiedenis op.
Nog even en ooit splinternieuw
moet op de schop.
Nog even  en er spoelt een haven aan,
zie de tijd grinnikend op de kade staan.

Heleen Bosma

Al lange tijd gaan er stemmen op de oude Deventer stadshaven weer in ere te herstellen.
Inmiddels liggen er verschillende plannen van verschillende initiatiefnemers.