Gedichten


Dag der Mensenrechten

Eerbetoon aan de wetten

In dikke folianten staan wij opgeslagen,
even zovele strijders stram in het gelid,
product van generaties denkkracht, drieste daden:
vuurtorenlicht voor wie, gekerkerd, tot ons bidt.

Wij zijn de thermometer der beschaving,
de peilstok van de menselijkheid,
in wetten,voorschriften en regels vindt laving
wie dorst naar eindelijke gerechtigheid.

Te vaak nog triomfeert de knoet en het geweld
de cipier slaat nog menig arme drommel lens;
en onderschat ook niet de macht van het grove geld,
De zwakte zit niet in de tekst, maar in de mens.

Maar eens zal ook de stugste weerstand niet beletten
dat zachte krachten winnen. Zij zijn niet te verslaan:
zachte krachten, dappere mensen, harde wetten,
uit dat verbond zal nieuwe vrijheid altijd weer ontstaan.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 13 november 2013

Opmerking:
Ter gelegenheid van Dag van de Mensenrechten op 10 december 2013


Han Hollander 1886-1943

Hij kende en beminde het vlakke land,
het land waar niets gebeurde
en evenmin gebeuren kon.
Toch het waren grootse tijden
want wij ‘gingen immers naar Rome’,
we gingen van triomf naar triomf
en juichten ons schor voor de radio
bij het horen van zijn stem,
de zeekastelen gleden van de helling,
de zilveren vogels vlogen af en aan,
van trots stonden onze borsten bol
wij hadden een schaakgrootmeester in ons midden
die ook de jeugd onderwees
en Rie Mastenbroek zwom de tijden aan flarden,
zoals Daan Kagchelland ze aan flarden zeilde in zijn jol.

Wat is hiervan gebleven, een bordje op de hoek?
Wat oude mannen die gedenken? Neen, meer!
Geen buurt, geen stad leeft zonder zijn herinneringen,
de bouwstenen van het heden, de tastbare getuigen.
Naar Rome zijn wij niet gegaan,
en dingen zijn gebeurd waarvoor wij het hoofd in stilte buigen.
Maar nòg horen wij de weergalm van het gejuich en het gejoel:
Han Hollander trof onvergetelijk doel.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 10 november 2013

Opmerking:
Han Hollander was de immens populaire radio-sportverslaggever van de jaren ‘dertig van de vorige eeuw. Zijn geboortehuis stond aan de Walstraat, thans het Waltorenpad, te Deventer. Als jood werd hij in de bezettingsjaren omgebracht.

Rie Mastenbroek  en Daan Kagchelland waren Nederlandse kampioenen bij de Olympische Spelen van 1936. De schaakgrootmeester, later wereldkampioen, was Max Euwe. In 1934 werden de wedstrijden voor het Europese voetbalkampioenschap in Rome gehouden. Nederland kwalificeerde zich op het laatst niet.


Wethouder Robin Hartogh Heys

Inleiding

Geëerde Wethouder, geachte aanwezigen,

Wij, de culturele instellingen die zijn uitgenodigd om deze, aan de kunsten gewijde, avond luister en kracht bij te zetten, cirkelen om u, wethouder, heen als insecten om het licht, als wespen om de limonade, als beren om de honingpot, als jongens om een mooie meid. Of als spelende kinderen van wie de met eindeloos geduld uit flinterdunne houtjes en knisperend papier samengestelde vliegers maar niet willen opstijgen — bij gebrek aan wind. Wij gaan er vanuit dat uw machtige arm die wind wel kan laten waaien, dan wel de honingpot blijvend gevuld kan houden, of de onwillige dames tot immer groter bereidheid kan overreden. Wij verwachten op deze feestavond, waaraan wij met z’n achttienen verre van belangeloos meewerken, dus heel veel van u, zoveel dat uw arme stadsdichter wel spontaan in rijm en ritme moet uitbarsten om niet bij de gerechtvaardigde verwachtingen van zijn kornuiten, en wellicht bij die van de gehele bevolking van deze stad, ten achter te blijven.

Ja, u bent de baas van de cultuur. Op u is al onze hoop gevestigd, en om dat feit erin te hameren wordt deze avond u aangeboden, waarin een lange stoet van cultuurdragers en -scheppers voor uw oog zal paraderen, als waren zij mannequins op de catwalk, als rekruten voor een medische keuring, als sportlieden bij het binnentreden van de arena, en het is aan mij, die, zoals de oplettende toeschouwer reeds in de gaten heeft, noch mannequin noch sportheld noch rekruut is, om deze gebeurtenis bij u in te leiden – en om, voor het onwaarschijnlijke geval dat het nog nodig mocht zijn, uw ontvankelijkheid voor het rijke culturele leven in de stad te vergroten, en uw vechtlust voor de verdediging van onze positie tot het hoogst denkbare peil op te schroeven.

Immers, de mens leeft niet bij brood alleen,
al zou het dagelijkse nieuws zo wel doen denken.
Het is niet mijn opzet wie dan ook te krenken,
maar louter broodnieuws houdt slechts de bakker op de been.
Ons oog is meer gericht op waar de mooiste muzen staan te wenken,
aan wie ik bij deze graag het woord verleen
om onze uitgedroogde ziel te voeden en te drenken,
want de mens leeft niet van brood alleen.

De dans, de zang, de sport — de mens is toch geen steen —
het boek en de muziek, de film en het theater,
de rookkracht van een Hein, de smaakpapillen van Pieter en                                                                                                                                                                                                                                                                      Heleen,
wat al niet vuurwerk! wat genot! wat staat er
ieder jaar niet op de plank bij Lex, bij Miek, bij Jos van de uitleen:
het applaus, de ontroering, het geween en het geschater,
de mens hongert beslist naar meer dan brood alleen.

Terecht wordt veel verwacht van de dichters, één-voor-één,
en van het Gajes dat ons telkenjaar versteld doet staan;
Wiebren in zijn kuil en Mano van de pop die houden ons ter been,
tenzij wij ’t pad naar  de fauteuils in Anton’s droompaleis in slaan.
En Marja’s RTV maakt dat wij nooit eenzaam zijn, en evenmin alleen.
De lichten op ’t toneel floepen vol verwachting aan.
Zonder muziek en zonder boek verdort het brood tot steen.

Gerard, Marije, Sanne, innig geliefd bij iedereen,
en Eric-Jan, en Rob en Peter, advies te kust en ook te keur,
de rijk voorziene Eddy, met zijn manuscripten, miniaturen één,
en droeve Charles in de Waag, met wie ik in stilte treur …..

Ach, de bezuinigingsezel stoot zich telkens aan dezelfde steen,
kleindenkerij, gecentimeter berooft het leven van zijn kleur.
Ja, schout en schepenen, raapt nu uw moed bijeen,
verbreek de ketenen, weg met die financiële sleur!
Zonder kunst is uw stad slechts een stomme stapel steen!

***

Wethouder, wij nemen aan dat u nu voldoende opgewarmd, dan wel murw geslagen bent om aan onze wensen voortaan geen of slechts pro forma weerstand te bieden, of, beter nog, om hen met enthousiasme in te willigen.
Maar realisten als wij zijn, begrijpen wij ook wel dat u daar vanavond maar weinig aan kunt doen (doch overmorgen des te meer), en dus nodigen wij u, en uw echtgenote, uit om achterover te leunen in uw zetels en te genieten van hetgeen u, tezamen met onze beste wensen, wordt geboden.
Uw verwachtingen zijn hopelijk hoog gespannen, en met reden  — en zo zijn de mijne, en die van ons allen.

Laat het spel beginnen!

Herman Posthumus Meyjes
Deventer 28 september 2013


Daventria felix

De Oehoeman

Het Raadhuis is verzonken in een diepe put –
de oudjes van Corel staan plotseling voor schut –
gezegend is de stad die door een oehoeman
de slaap niet vatten kan

en daklozen hebben de harde straat tot bed –
en huurders worden pardoes hun huizen uitgezet –
maar diep gelukkig is de stad die door een oehoeman
de slaap niet vatten kan

bevolking krimpt en mooie winkels blijven onbezet –
geen universiteit, en niemand die daar nog op let –
gezegend is de stad die door een oehoeman
de slaap niet vatten kan

en Deventer verschraalt tot anonieme plek –
museumloos, ambitieloos, naast Zwolle een vlek –
toch fijne stad die door een oehoeman
de slaap niet vatten kan

Lief Deventer, locatie van mijn rust en lusten,
droom voort, verrijs ter stelt, en verder: wel te ruste!

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 23 september 2013


Knutteldorp

Hier huist het verheven volk,
of beter, het volk dat zichzelf verhief;
in de kalmte van deze pleinen,
onder de beschutting van deze poortjes
echode eens de stem van Domela,
Bakoenin, Kolthek, Sneevliet en Tante Jet.
Hier vond een streven rust
dat gouden randen kleurde
aan de loden luchten
van een smal bestaan,
en vond de kameraadschap voeding
die het hongerig en dorstig heden
op armslengte hield.

Hier viert het dubbel geboren dorp,
eens tehuis van forten, stellingen
en barricades, zijn vreedzame triomf.
De speeltuin zegeviert over het verkeer,
de voor- en achterperken over de wildernis,
de stilte over de bedrijvigheid:
een oord om te verlaten
wanneer het gaat benauwen,
om de ramen van open te vouwen
wanneer zij beslagen raken,
maar ook om naar terug te keren,
wanneer het tijd wordt zich te bezinnen
en van voren af aan te dromen.
Wie niet door deze poorten loopt
riskeert om nooit meer thuis te komen.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 28 augustus 2013

Toelichting:
1. De bouw van volkswijken zoals deze stond destijds in het kader van de verheffing van de arbeiders en de verbetering hun leefomstandigheden.
2. Vooruitstrevende sociale bewegingen, zoals die van socialisten, anarchisten en communisten hadden relatief veel aanhang onder de bewoners, zeker in de crisisjaren van de vorige eeuw. Ter zake doende namen worden genoemd, waarbij “tante Jet” de koosnaam is van de dichteres en politiek activiste Henriëtte Roland Holst. Henk Sneevliet was de voorman van de Revolutionair-Socialistische Arbeiderspartij.
3. Dit stadsdeel werd rond de eeuwwisseling geheel hernieuwd, met behoud van de typerende bouwstijl, met decoratieve poorten, en het bestaande stratenplan. Vele bewoners keerden terug in hun vroegere woning.
4. Oorspronkelijk was dit buitenmuurse terrein geheel toegewezen aan de constructie van verdedigingswerken. Deventer was tot het midden van de 19e eeuw een belangrijke vestingstad.
5. De wijk kent een actieve speeltuinvereniging waarvan het terrein dwars op een drukke verkeersader ligt.


Stadsgedicht: Stadshart

Wie wijst de weg uit de doolhof van mijn hart
dat mij in deze doolhof van de stegen
deed belanden? Wie onthult het geheim
dat schoksgewijs pulseert
door de kransslagaders van dit oord?
Wie roept de wijzen bijeen om het kleurrijk wonder
van de regenschermen te verklaren?

De stad, die mij het leven heeft verlengd met jaren
en waar ik geen toekomst zie daar zonder,
ademt in alle rust en onverstoorbaar voort
door wat er dagelijks passeert
en vertaalt zichzelf in klank, in ritme en in rijm.
Zo veel geschiedenis maakt verlegen,
maar ik zwerf door deze stegen vrij en onbenard.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer,  25 augustus 2013
Een stadsdichter die, teruggetrokken vanachter zijn pc zijn poëtische schrijfsels enkel laat verspreiden door de daartoe geëigende media? Dat is niet wat ik voor ogen heb met mijn stadsgedichten. Die breng je naar de stad!
Op zaterdag 24 augustus heb ik de daad bij het woord gevoegd en op de kruising Spijkerboorsteeg met de Grote Overstraat ‘Stadshart’ ten gehore gebracht onder het winkelend publiek.
 Stadsdichter leest gedicht in stad
Foto: Benne Solinger

Keizerstraat

Van oudsher heb ik u bewonderd, Keizerstraat,
en ben ik in uw ban geraakt —
de statigheid uwer huizen, de gestrengheid van hun gevels,
de onverbiddelijkheid hunner kozijnen en stoepen,
en de doelbewustheid van hun inrichting.
U was het toneel van het hoefgetrappel,
dat aanving bij de kazerne en voort klonk
tot ver voorbij de Brink
en mij de trappen af deed rennen.
Niet dat de huzaren ons konden behoeden
voor het voelbaar naderend onheil,
maar zij zouden er op toezien dat onze ondergang,
indien al onvermijdelijk, zich zou voltrekken in stijl.
Met recht een allee waar keizers zich thuis konden voelen,
ook al was men zelf de bewoner van driehoog achter.

Nu hoor ik alleen het fluisteren van kantoren,
en wie ziet er nog toe op de stijl van mijn ondergang.
De huzaren van Boreel zijn stil gevallen
en onzichtbaar. Vooruitgang werd hun deel,
en vooruitgang is niet te stuiten, zoals bekend:
waar eens de ridder en de ruiter heersten,
is nu vrij baan voor de consument.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 17 augustus 2013


Geert Groote

Ik zag hem op het plein, in vroom gepeins verzonken,
gebogen rug, het voorhoofd diep gegroefd.
Daar ging een mens in wie de wijsheid was bezonken
en die van ’t zoetst en het bitterst had geproefd.
In eenvoud, menselijkheid, devotie uitgeblonken,
krachtdadig en gestreng, soms vrolijk, meest bedroefd.

Verwonderd keek hij naar de felle zonnebloemen,
van zuidelijke reizen hem nog wel bekend,
en ’t kruid dat zich op verre afkomst kan beroemen.
De kloostertuinen was hij nagenoeg ontwend.
Veel nieuwigheid, dacht hij, te veel om op te noemen,
de namen kreeg hij niet meer ingeprent.

Toch voelde hij zich thuis: de mens leek hem vertrouwd:
bekende sluwe koppen, bekende woede, haat,
bekende lust naar edelstenen, zilver, goud
die brandde in holle ogen in ’t gulzige gelaat.
De praalzucht en de snoeverij zijn eeuwen oud,
Matiging en rust is als aan dovemansoor gepraat.

Nu was hij moe, ’t was zwaar de mensheid te bewegen
die zo gemakkelijk bezweek voor roem en waan.
In ’t kristal van de kapel blonk ons het zonlicht tegen,
de straling van het hemels licht was allerwegen —
Ons werk, zei hij tot slot, is voor de lange baan.
en hij verrees, keek rond, en hief zijn hand ten zegen.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 3 oktober 2013

Opmerking:
Gedicht ter gelegenheid van de opening van de glazen kapel op het Lamme van Dieseplein


Acceptance Stadsdichter

Hooggeachte Wethouder Hartogh Heys,

Allereerst voel ik mij geroepen u, en via u, het gehele college van Burgemeester en Wethouders, te danken voor de hoge eer die mij vanmiddag te beurt is gevallen om gedurende enkele jaren de stadsdichter – de troubadour, in vroeger taalgebruik — van deze mooie stad te mogen zijn. Ik kan u wel zeggen dat uw besluit mij enige tijd sprakeloos heeft achtergelaten, aangezien geen haar op mijn hoofd – dat zegt misschien niet veel, maar toch – er ooit aan had gedacht dat deze uitzonderlijke onderscheiding mij reeds op zo jeugdige leeftijd in de schoot zou worden geworpen.

Ik begrijp echter zeer wel dat van mij geen sprakeloosheid wordt verwacht, maar integendeel het luidkeels openen van mijn mond om in gezangen en in lofprijzingen uit te barsten en om lucht te geven aan mijn overvol gemoed. Ik zal trachten aan die verwachting te voldoen en bij gelegenheid, in het voetspoor van mijn gewaardeerde voorgangers en onder het aanroepen van de assistentie van de muzen, mijn medeburgers tot diepere gedachten te brengen dan wel, wat meer waarschijnlijk is, de verstrooiing te bieden waar zij naar verlangen en die hun van zo ganser harte wordt gegund.

U zult zich wellicht herinneren dat mijn voorganger bij het aanvaarden van zijn ambt, twee jaar geleden, op deze zelfde plaats, het schokken van fundamenten, ja, als ik het goed heb onthouden, het beven van de ganse aarde in het vooruitzicht stelde. Gezien de delicate staat van de gebouwen in de binnenstad, geheel of ten dele afgebroken en in diverse stadia van ontmanteling en wederopbouw, durf ik het niet aan die belofte te herhalen.
Van mij zult u eerder het sluipen op kousenvoeten mogen verwachten, en het aanvatten met de fluwelen handschoen. Maar ik zal wel pogen dat te doen met aandrang, als dat noodzakelijk mocht zijn, en met humor, als dat hulpvaardig zou blijken – maar steeds met dezelfde liefde voor onze stad en zijn omgeving als waarvan mijn voorgangers zo uitbundig hebben blijk gegeven.

En terwijl ik hier zo rustig met u sta te keuvelen, [dames en heren]
voel ik de kussen van de stedenmaagd
gloeien op mijn twee wangen,
en hoe haar koortsige verlangen
als een wervelstorm door mijn bejaarde leden jaagt
en mij opzweept tot steeds groter hoogten.
En ik hoor haar indringend vragen
of de vijanden die de stad belagen
wel op afstand worden gehouden,
en of de stad wel meegaat met haar tijd,
en of zij wel voldoende met haar rijkdom prijkt,
en of zij wel attent is op de wispelturigheid van het lot
en de onberekenbaarheid van de toekomst.
En of zij wel voldoende voortgang boekt
met het nieuwe tehuis voor ons allen, want ook zij weet
dat wie nu geen onderdak heeft,
het ook straks niet zal bezitten
en dat wij dan lange brieven zullen moeten schrijven,
die onbeantwoord zullen blijven.
En hoe het zit met de boekerij, vraagt ze,
en met het schouwtoneel
en met de rolprenten? En met het museum,
en met de derde overspanning,
en met de ruimte voor de rivier, de bedrijventerreinen en  de toekomst van de jeugd, en met de windmolens
en met de grasmat waarvan, als ik het goed begrijp, de wortels elektrisch verwarmd zullen worden om de tere voeten van onze spelers te ontzien …..?

Ja, ho, ho, ho, mevrouw, onderbreek ik haar,
terwijl ik haar tranen wis,
en haar aan mijn borst druk,
en haar flanken streel
— om haar te kalmeren —
weest u er van overtuigd dat
de vroedschap doet wat zij kan,
en dat de burgerij als één man staat achter het bewind, onwankelbaar en onoverwinnelijk.
De wallen zijn versterkt, de grachten verdiept, de torens zijn verhoogd, de poorten versterkt,
en de monden staan gereed om te vuren.
En de troubadour heeft zijn vedel gestemd, zijn keel geschraapt, en de pluim op zijn hoed rechtgezet, gereed om te zingen.
Maakt u zich dus geen zorgen,
alles zal goed komen.

Gerustgesteld zinkt de stedenmaagd terug in mijn armen, en denkend aan wat mij deze dag is overkomen, zink ik met haar,
en alleen uw applaus, [dames en heren,] zal haar, en mij, uit deze staat van verdoving en gelukzaligheid kunnen wekken.

Ik dank u wel voor uw aandacht,
en ik zal zorgen dat u van mij hoort.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 3 augustus 2013


Worpplantsoen

Een steen geworpen van mijn huis
en van daar een weinig verder
in het groen. Een noenmaal
in het gras, ach, als dat nog eens bereikbaar was …..
Een zoenmaal is ook goed, waarover
ik zo graag als jongen las.
Maar ’t is een streng ontworpen park,
doorzichtig als kristal, getekend
met passer, liniaal en hark,
zonder struweel of struikgewas,
geen schuilplaats, geen bosschages …..
waar steel ik nog een kus,
waar streel ik nog een huid,
waar fluister ik nog een woord?
Zo raakt de liefde niet op vleugel,
al is het doorzicht schoon,
van ver reeds te bewonderen.
Een brede canapé met hoge rug,
in de gouden koepel neergezet,
als ware het een Venustempel van weleer,
met in het midden een liefdestroon,
doet ongetwijfeld wonderen
en kan misschien wel door de Nering Bögel.

Deventer, 29 juli 2013
Herman Posthumus Meyjes

 

Opmerking:
Nering Bögel: ijzergieterij en een van de oudste industrieën in de stad, met wortels in de eerste helft van de 19e eeuw. Deed de herstelde en geheel vernieuwde muziekkoepel in het plantsoen in 2012 aan de stad cadeau.

Gedicht voorgedragen op zondagmiddag 4 mei in de muziekkoepel in het Worpplantsoen.


Maandagmorgen in het Noordenbergkwartier

Ik wist niet dat de stad zo stil kon zijn
en dat de straten zich zo geruisloos om mij konden sluiten,
als een laken in een te strak opgemaakt bed,
als een overhemd te nauw gekocht,
als een keuken voor een te klein behuisd gezin,
als een kinderfiets met blokken op de trappers.Ik wist niet dat ik de enige bewoner van deze wijk
zou kunnen zijn, als een drenkeling op een onbewoond eiland,
als een opvarende op een verlaten schip,
als een boer op een vereenzaamde hoeve.

Ik wist niet dat de stilte zo overtuigend kon zijn,
als van een in slaap gevallen hond,
als van een kind zonder vrienden.

Ik wist niet dat die stilte zo draagbaar kon zijn,
als van een versleten, maar prettig zittend kledingstuk.

Ik wist niet dat ìk die grijsaard zou zijn die in de zon is ingedut.

Maar het is ook denkbaar dat mijn gehoorbatterij was uitgeput.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 19 juli 2013


Aangenomen werk

goedemorgen mevrouw Jansen,
wie ik ben? uw nieuwe thuishulp Jan
ik ben een ex-wajonger, dus pillen weet ik alles van
en straks komt Kurt, das eigenlijk een betonvlechter,
dus met uw steunkousen komt het helemaal goed

uw gediplomeerde hulp? die heeft nu WW,
maar dat geeft niet, dat wordt immers geregeld
door het UWV; wel jammer van die opleiding  inderdaad
maar voor klachten moet jullie  niet bij mij zijn
maar bij de gemeenteraad

wie er straks komt om u te wassen?
Ja, dat weet ik niet, maar het zou maar zo
een werkeloze wethouder kunnen zijn,
ook die hebben zich bij deze crisis
maar aan te passen

 

© Lammert Voos


Waffel Snaffel

spitter, spetter, spat

de straten zijn weer nat

laten we de meester en juf verrassen

en met blote voeten dansen door alle plassen

 

huppelen door het hoge gras

alsof ik een dartel haasje was

ik had mijn eigen witte paard

en was een ridder met een gouden zwaard

had de zon als ballon aan een zilveren touwtje

was van iedere hond en kat het favoriete vrouwtje

en ik was een wereldberoemde beeldschone actrice

of een betoverde voetballer die nooit kon verliezen

en ik kreeg zelfs in de zomer een kerstboom,

het is ongelofelijk, alles kon in deze mooie droom

want wie fantaseren kan heeft pas echt geluk

 

spitter, spetter, spat

de straten zijn weer nat

laten we de meester en juf verrassen

en met blote voeten dansen door alle plassen

 

© Lammert Voos


Oude koeien

cul·tuur (de; v; meervoud: culturen) het geheel van geestelijke verworvenheden van een land, volk enz.; beschaving (Van Dale)

 

historische hybris: is het kennis vergaren

echt een te beperkte bijdrage aan de erfgoedambities

en wat betekent dat laatste eigenlijk precies

kan iemand mij zo’n leeg woord eens verklaren?

 

historische kennis: uit een volmaakte cherubijn

schiep hybris de duivel die Eva de eeuwige

zielenpijn van de eerst begane zonde, de appel

deed grijpen, ons allen daarmee verwondde

 

een belemmering voor het vergaren van kennis

is hoogmoed, staat ook in een ander heilig boek,

De Koran, het ligt voor de hand, kost niet

veel bestudering, zelfs niet voor een simpel man

 

de moeder der hoogmoed is onwetendheid

volgens Erasmus, maar wist dan niemand

van onze wethouder zijn beleid betreffende de

sluiting van een ander Historisch museum?

 

ondertussen krimpen de buffers voor de bouw

van ons stedelijke Icarusproject, zijn eventuele

tegenvallers nauwelijks gedekt, krijgt het

burgervertrouwen opnieuw een knauw

 

nooit iets van ons hoogmoedig verleden geleerd,

want de hedendaagse steen van Sysiphos heet

rente: die is oeroud uit domheid gekneed met

de blik steevast van gezond verstand afgekeerd

 

© Lammert Voos


Caleidoscoop

geklonken in
roestvastig
angst en wantrouwen
het oordeel
getuigt diep
geworteld
hoewel
de ware
gewoon geëcht
kameraden
zusters ook
geen argwaan
gedachteloos
die Mensch
die durft
te leven
zonder
die eerste steen
met recht
lief te hebben
juichend
vol instemming
met je liefste
hand in hand

geklonken in het oordeel, hoewel
kameraden, gedachteloos te leven
met recht vol instemming

roestvastig getuigt diep de ware,
zusters ook, die Mensch, zonder lief
te hebben, met je liefste

angst en wantrouwen geworteld,
de domheid gewoon geëcht, geen argwaan,
die durft, die eerste steen, juichend

hand in hand

 

© Lammert Voos


Echo’s

de rivier eist ruimte, wil extra geulen en haar
sluimerende echo kruipt langs de lege plekken
in de stad, de verdwenen gezichten en wekt
het slapende collectieve geheugen

de bommen discrimineerden niet, vergaten zelf
nooit en bedreigen  nog steeds de mensen in het gebied
langs de bruggen, de eeuwig jeugdige dood galmt
dreigend weer zijn bloederig stalen lied

schuld heeft vele gezichten en is nooit zwart-wit:
de geallieerden bombardeerden de verkeerde
spoorlijn, de schande is nooit gewist,  dit zal
voor altijd de stad van Etty Hillesum zijn,

de treinen die op maartse zondagen stil staan,
zeventig jaar geleden bleven ze gaan, onstuitbaar
naar het oosten en er zal nooit geen kaddisj
meer gezongen worden in de Deventer synagoge

© Lammert Voos


Toegevoegde waarde

De mens aan de zijlijn
immer klagend over de maatschappij
je zou wensen dat hij meer bijdroeg
dan alleen verbaal venijn
niets en niemand is goed genoeg

maar wat draagt de stadsdichter zelf bij
met het berijden van zijn stokpaarden,
wat is daarvan eigenlijk de toegevoegde waarde?
van zijn gedichten wordt kennelijk ook niemand blij

Sinterklaas, antisemiet, waardeloze dichter,
biedt kwaliteit die past bij zijn achternaam
de uitvreter, hypocriet en oplichter gebruikt
woorden die niemand snapt of juist te simpel zijn,
is een wandelende grap, heeft een ziek brein

luis in de pels of poëet,
wat is goed voor een stad,
inhoud, vorm, traditie of ambacht,
is er iemand die het weet?

heeft Deventer wel een stadsdichter nodig,
of is deze functie eigenlijk totaal overbodig?

 

© Lammert Voos


Tien procent

het nieuwe stadskantoor wordt  van iedere burger,

dat zei het gemeentebestuur terecht

een waarheid als een koe,  uiterst betrouwbaar in haar voorspelbaarheid

dat mag ook wel eens gezegd

want derivaten zijn risicovol en ondoorzichtig,

vraag de Grieken en Vestia, die waren

eerder daarmee onvoorzichtig

en een gift van tien procent stelt toch weinig voor

uw leven gaat met zo’n klein offer gewoon door

en wilde u toch al niet op dieet?

maar wat bedoelt u met de schijn tegen?

dit argument zal het gemeentebestuur zorgvuldig afwegen,

met deze gedachte, dit argument, zal het bestuur even zorgvuldig

haar r**t afvegen

 

© Lammert Voos


Defect kompas

giftig koperdamp leidt tot krankzinnigheid,

brons tot eeuwen onderontwikkelde hebzucht,

een schip is van een graf gestolen, de dader,

het glas van zijn kompas te zeer beduimeld om

helder te zien, draaft door op bezoedeld pad,

schendt het grote verdriet, roept meer daarvan op,

rijt oude wonden open en ontheiligt tranen, trapt nog eens

op de reeds broze harten, laat gekneusde graven

aangetast achter als stille getuigen van

verwond vertrouwen

© Lammert Voos


Luchtfietsen

Icarus ondervond al aan den
lijve, vooruitgang heeft een prijs,
want als UV en nucleaire straling
te sterk zijn, de lucht niet meer
te ademen valt, het licht definitief
is gedoofd, wie vliegt dan nog?

vechten tegen windmolens, daar
is een mooi boek over geschreven

© Lammert Voos