Gedichten


Avondvogel

Met vastberaden slag
roeit d’ avondvogel voort,
of hij zojuist een onheilstijding heeft gehoord
of dat hij schaduwen van een sperwer zag.

Weer is een dag vervlogen.
De avondvogel zet koers naar ’t dagelijkse nest.
Het is, zie ik het wel, de optie die ook mij nog rest.
Dezer dagen word ik door weinig anders meer bewogen.

Er klinkt een zacht gesuis
van deze laatste vlucht.
Het nest is leeg, de afstand is geducht.
Eenzame oude dag? Eenzaam was ook ’t ouderlijke huis.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 13 november 2014


Uitziend over de IJssel in het avonduur


Allerheiligen, Allerzielen 2014

Ik zie de stoet die tot voorbij de einder reikt
op weg naar een doel dat geen van ons ooit zal bevroeden.
De vromen, schutspatronen, gaan voorop,
wier voorspraak, hopen wij, ons zal behoeden,
de richtingwijzenden wier blik ’t oneindige bestrijkt,
de wichelaars die ’t stenig pad verkennen
en die de mensen, heilig en onheilig, kennen.
Dan volgen de strompelaars die in het duister tasten,
de eigenaars van ’t oud roest, door Achterberg genoemd, *)
bezitters van zekerheden die tot verdwijnen zijn gedoemd,
de eeuwige weifelaars die op de winkel passen.
Ik zie voorbijtrekken de sybarieten en asceten,
en allen die het in het leven immer beter weten,
Ik zie dichters, stenenbrekers, rolstoelers en atleten
en allen wier hoogst genot het is zich vol te vreten.
En dan de eindeloze rij van schimmen, de grens voorbij,
en achter zich het ruisen van de rivier de Lethe,
die de vergetelheid brengt waar de ziel naar smacht.

Bede

Voor de wijzen en de zieners: dat zij thans naar voren treden,
er wordt op hen gewacht.
Voor de levenden: dat zij geduld beoefenen en koesteren ’s leven’s eindeloze pracht.
Voor de doden: de slaap der eeuwen zij hun eeuwig zacht.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 1 november 2014

*) zie zijn gedicht “Deïsme”

Opmerking:
Ter gelegenheid van de restauratie van het kerkhof aan de Diepenveenseweg


Kindergedicht

Parapluutje, waarom hang je toch zo hoog?
Nu maakt het niet veel uit, want ’t is gelukkig droog,
Maar straks komt er een regenbui voorbij
en word ik nat, want ik kan er echt niet bij.

Ik spring en spring, maar grijp voortdurend naast het ding.
Steeds hoger ga ik tot ik hem bijna ving,
maar steeds net niet, net niet, tot mijn groot verdriet –
nu word ik nat als groenten in ’t vergiet.

Toch spring ik door, nog eens, twee keer zo hoog.
Dan hoor ik wat de weerman zegt op de TV:
komende weken valt het weer geweldig mee –
’t Blijft vast en zeker kurkedroog.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 2 oktober 2014

Opmerking:
Ter gelegenheid van de Kinderboekenweek 2014 en met het oog op de kleurrijke paraplu’s 
die hangen boven de binnenstad van Deventer

Ondergrond

De voetstap is de maat van alle dingen,
de peilstok van de straat en van de stad.
Die stille bron voedt de herinneringen
die wij beroeren op ons daaglijks pad.
Verborgen lijnen die opeens verspringen,
verscholen dromen die men destijds had,
zij hebben op ons, de tegenwoordelingen, vat.

Verborgen grachten, uitgewoonde hoeken,
stegen waar eens de sleperskar door wrong,
kaden waar stoere mannen handel zoeken
en men verwoed de laagste prijs bedong;
hier, de drukte van drukkers en van boeken,
hier, in kerk en sociëteit de rappe tong,
hier, waar de sirene van ’t geluk het zuiverst zong.

Bewijzen volgen ons en gaan ons voor,
Wat gisteren oorzaak was is morgen slot.
Veel van het verleden gaat teloor,
maar ondervoets komt het opnieuw aan bod,
herneemt ’t gezag van de eeuw daarvoor,
en wij, die treden in dit levend spoor,
buigen ’t hoofd en sidderen van genot.

Al gravend, speurend verruimt zich het begrip.
De Onzichtbare Gracht staat bovenaan, met stip.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 13 september 2014

 

Opmerking:
Met dank aan Daaf Ledeboer, architectuurhistoricus
ter gelegenheid van Open Monumentendag 2014 en n.a.v. een historisch-archeologische
en bouwkundige verkenning van de binnenstad


Ademtocht der rivier (sonnet)

Het water was vannacht opeens gestegen;
de randen en de dammen zijn bedekt.
Uw woorden, eindelijk in klare taal ontdekt,
heb ik nu helder toegediend gekregen.

De boot heeft zich op het water uitgestrekt,
waarin uw leden zacht waren gelegen.
U was reeds aan mijn milde greep ontstegen
toen ’t signaal weerklonk ten teken van vertrek.

De kleine golven speelden met de oever
langs d’ oude koers die hij ook nu weer voer.
De dagen gingen reeds aanzienlijk stroever

en regen zich aaneen tot eind’loos snoer.
Eens heb ‘k beproefd; nu was ik zelf beproefde.
Kapitein Nemo stond aan het diepteroer.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 18 augustus 2014


Vers gebakken

een zonneronde van gedichten –
wie zou niet voor de verleiding zwichten
aan de wieg daarvan te staan?

een dichter kent geen plichten
en hoeft geen arbeid te verrichten,
behalve die voor zon en maan.

de pottenbakker zal de klei verdichten
en zal u van geen kwaad betichten
zo lang de baksels niet te pletter slaan.

U las het in de stadsberichten:
kleuren zullen uw huis verlichten
als verse kommen van Chris en van Alied op tafel staan.

opnieuw zal ik het hoofd oprichten,
al moet ik daarvoor het heelal ontwrichten,
maar ik laat in vol vertrouwen mijn schaapjes gaan.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 2 augustus 2014

Opmerking:
Ter herdenking van het feit dat het stadsdichterschap van Deventer mij een jaar geleden
ten deel viel en dat kunstenaar Chris Visser en schrijver Alied van der Meer hun poëtisch
beschreven aardewerk onder de titel ‘vers gebakken’ op de Grote Poot tentoonstelden


Schipbeek

De binnenlanden stromen bij mij binnen
de smalle Schipbeek draagt hun gouden vracht.
Zo laat en desondanks opnieuw beginnen –
straks komt de schipbreuk die mij wacht.

De sterke boomomzoomde velden waken
over de vers ontketende natuur –
de tijden komen en de uren naken
het kan niet lang meer duren op den duur.

Ik weet niet welke wetten hier nog gelden
in elk geval niet die van ’t groot gelijk.
Herinneringen die van jou en mij vertelden
liggen besloten tussen uiterwaard en dijk,

en in geulen die wij samen groeven,
langs bossen, havezaten, hoeven –
daar reken ik mijzelve dubbelrijk
aan sporen van bestaan waaraan ik mij herijk.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 21 juli 2014


Voorbijgangers

“Ik zag een vrouw die schreed alsof zij nooit zou sterven”
schreef Adriaan Roland Holst, maar zij was niet de vrouw
die mij passeerde,  heur haar ontkroest en blik omfloerst,
terwijl een ebonieten allure haar omgaf
als een kuras tegen wie haar te na komen dorsten,
en evenmin de vrouw die in zichzelve lachte
noch haar zuster die angstvallig om zich keek,
de ogen hol, de haren in de war, de wangen bleek,
en zeker niet diegeen met het inhalige gezicht
en met de onbereikbare borsten.

Ik bestelde mijn glas wijn en liet mij koesteren
door vrouwen die nog minder bezaten
dat in hun voordeel pleitte. Ik zag geen wezens schrijden.
Schreien, ja, daarvan waren er verscheidene,
maar die liet ik terzijde. Het ging mij om de schrede
die aan maatstaven moest voldoen om in aanmerking
te komen, en daarvan zag ik er die hele dag niet een.

Toen kwam er vrouw langszij, zo sterfelijk als wij allen,
maar die ontegenzeggelijk de indruk wekte zich voort te bewegen
zonder de grond te raken, te ademen zonder de lucht
af te romen en te lezen in het geschrift
dat ik tot dat ogenblik gesloten had gehouden,
en ik besloot nog een kop koffie te laten komen,
omdat ik waken moest terwijl ik sliep.
Zij knielde naast mij en vroeg hoe het mij verging…..
en ik die dacht dat de tijd van het vergaan
ten einde liep.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 9 juli 2014

 

Opmerking:
Geschreven toen ik op een terras in Deventer was gezeten


Geveldoek

EEN GEVEL IN DE WACHT
DE STRAAT SLAAT ACHT
ER WORDT IETS MOOIS GEBOREN

WIE HEEFT ‘T ZO BEDACHT
EEN BUURT DIE LACHT
DIE ZAL ONS ALLEN TOEBEHOREN

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 3 juli 2014

 

Opmerking:
Bestemd voor gevels in aanbouw aan de mr. De Boerlaan


Lijn 8

Ik nam hem gretig voor zijn allerlaatste tocht,
zoals gewoonlijk ongestopt en zonder vrucht.
Daar kwam hij ratelen om de leeggestaarde bocht,
tot ’t eind gehoorzaam aan uurwerk’s ijzeren tucht.

Een grote stad, maar ’t kleine busje was te duur …..
Ach rammelkast, hoe vaak heb ik je niet bereden.
Verschijn opnieuw op ’t afgesproken uur,
Want ik pendel tussen toekomst en verleden.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 27 juni 2014

 

Opmerking:
Bij de opheffing van lijn 8, de bus die de binnenstad van Deventer bediende


Deventer Raamwerk

Ik heb mijn stempel op de stad gezet,
zoveel als Vader Tijd maar wil gedogen.
Niets is er dat mijn onsterfelijkheid belet:
een mensheidswens vervuld – wie kan op zoiets bogen?

Zo heb ik nu het louche lot verrast,
want mijn zilveren handdruk zal beklijven.
Door ’t raam ga ik naar schoonheid op de tast.
Geen zal zijn naam in water schrijven.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 23 juni 2014

 

Opmerking:
Bij de afsluiting van het door Loes Ten Anscher ontworpen en uitgevoerd kunstwerk bestaande uit 2300 vinger- of teenafdrukken van willekeurige inwoners van Deventer die tezamen de raamwerken zullen vormen van het nieuwe stadskantoor.


Buitengebied

Voor Janine van Harsselaar

Ik sluit het buiten binnen
en kan geen land verzinnen
dat zachter harmonie omvat
dan dat van deze velden, bomen, hoeven, wandelpad
en vergezichten, balsemend voor oog en ziel.

Hier heerst het evenwicht,
het in zich zelve rustend licht,
dat als een weldaad schijnt.
Hier komt de voet tot rust naarmate d’ horizon verdwijnt
en vindt het moegedobberd schip zijn kiel.

Dit is het land van regelmaat
en de gerijpte staat.
Hier laat volbrachte geschiedenis zich lezen
met zekerheid dat het niet anders had kunnen wezen.
Geen mens hoeft mij te vragen of mij ’t hier beviel.

De aalschover staat te drogen in de zon.
Zo was het toen het leven pas begon.
Het schuw geluk lijkt mij van hieruit goed genaakbaar
en, met beleid en met geduld, aanraakbaar.
Ik geef een ferme draai aan ’t grote wiel.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 7 juni 2014


Voorlezing

De hoofdstedelijke stem
klimt op tot het schellinkje,
‘s-werelds smalste engelenbak,
en ik mis geen woord.
Eens hoorde ik die stem breken
en bijna brak ik zelf
om de vader die niet meer zinvol sprak
en niet meer zinvol werd gehoord.
En op die stranden
sliep ik eens zelf
en op dat warme water deinde ik op en neer,
lang voordat er werd verdronken en gemoord.
Aan de Golf van Hammamet werden
mijn jonge schreden uitgezet
en nu hervind ik hen
verpakt in het gesproken en geschreven woord.
Tussen strand en engelenbak
ligt het leven
strak gespannen als een koord.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 4 juni 2014

 

Opmerking:
N.a.v. van de voorlezing in boekhandel Praamstra door de in Deventer geboren schrijfster Christine Otten uit haar onlangs verschenen roman ‘Rafael’, waarin de vaak fataal aflopende oversteek van vluchtelingen van Tunesië naar het Italiaanse Lampedusa een grote rol speelt.


Ik schroom de gieren te zien zweven

Ik schroom de gieren te zien zweven
boven het uitgemergeld kamp,
want ik ben nooit hun aas geweest
noch deelgenoot in deze ramp.
Ik schroom te schrijven over slagen
die niet op mijn rug zijn neergedaald.
Ik schroom te denken aan gemis
dat ik niet zelf heb moeten dragen
en dat mij niet zelf de keel heeft dichtgeschroefd.
Ik schroom te willen weten
hoe ’t voelt bielzen te moeten tillen
als je ligt te rillen met de derdendaagse koorts.
Ik schroom te denken aan ’t moment
dat het scheepsluik werd gesloten
en hitte brandde als van een toorts.
Ik schroom vanuit een veilig oord te meten
wie toen het zwaarste werd beproefd.

Ik huiver de kou te ondergaan
die stroomde vanuit Hollands bleke kust.
Ik huiver bij ’t beeld van ’t kil onthaal
dat zelfs de felste vreugde heeft geblust.

Ook een vaste toekomst kan bedriegen,
de liefste droom in rook vervliegen,
het vat der hope leeg geschraapt.
Laat de oorlogsvogels verder vliegen
en ik zal je in mijn armen wiegen
tot je slaapt.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 26 mei 2014

Opmerking:
Bij de herdenking van de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 en de beëindiging  van de Tweede Wereldoorlog

Ode aan het nieuwe College van B&W

Trapezewerkers zijt gij, zwevend tussen het wenselijke,
het mogelijke en het beloofde, duizelingwekkend,
soms een koene sprong, soms een salto mortale,
dan een harde landing, altijd adembenemende acrobatiek.
Het publiek kijkt belangstellend en belanghebbend toe,
en weet het beter, uiteraard, roept ‘ah’ en ‘oe’,
of, in meer courante taal, ‘schande!’  en ‘weg ermee!’,
maar gij begint alweer aan de volgende vlucht,
met kunde en doodsverachting, gij, die zelden applaus verwacht,
gij voor wie geen vangnet gereed staat,
gij die verder vooruit kunt zien dan anderen, maar in wezen spartelt
in dezelfde zee van onzekerheid als waarin uw kiezers ronddobberen.

Dat het slappe koord u tot steun zij,
maar de vaste grond uw doel.
Dat wijsheid u vergezelle, met ruimte voor tegenslag,
dat vasthoudendheid uw kenmerk zij
en politieke moed uw herkenningsmelodie.
En ook, dat de polsstok niet noodzakelijkerwijs
de grens beduide van uw streven,
en het breekbare lijntje niet de maatstaf vorme van uw kracht,
noch de hooivork de grens van uw belasting.

Kortom, er wordt veel, liefst het onmogelijke, van u verwacht.
Bestuurderen, beproefden en nieuwelingen,
miskenden en gelauwerden, geharden en kwetsbaren, geeft acht!

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 14 mei 2014

 

Opmerking:
Ter gelegenheid van de installatie van het nieuwe College van Burgemeester en Wethouders,
na de gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart 2014. Voorgedragen op 14 mei te Schalkha


Eens was de tijd dat ik droomde

Eens was de tijd dat ik droomde
van een Europa geschoond van venijn.
Ik dacht dat het eind’lijk zou komen
en dat het nog bij mijn leven
zou worden en zijn.

Vulkanen getemd en geketend,
Na-ijver en heerszucht geboeid.
Vreugde om wat het betekent
als solidair Europees
burgerschap bloeit.

Maar ’t is oppervlakkig gebleven,
het hart kwam er niet aan te pas.
Streven was goed, maar ’t bleef streven:
in de grond van de zaak
bleef al wat het was.

Een dief sluipt thans langs de ramen,
maar geen voelt zich betrokken of bang.
Wij laten dat aan d’ Amerikanen
en sluiten het slaperig oog.
Berouw komt eerlang.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 13 mei 2014

 

Opmerking:
Met het oog op de Europese verkiezingen van 22 mei 2014, voorgedragen tijdens Studium Generale in Saxion op dinsdag 13 mei 2014.


Op een dode boom in het Worpplantsoen

Zo dood als ik eensdaags zal zijn,
zijn armen hemelwaarts geheven,
zo levenloos staat hij in het plantsoen.
Kindergezang omspoelt zijn bast,
kapelmuziek klautert omhoog,
het jonge groen verschaft contrast,
de gewoonte van het staan
en het dagelijks zijn plichten doen
maakt dat hij ongeworteld lijkt te zweven.
Het lijkt nog wat, maar zijn leven
zit er op, het is slechts schijn.
Hij is zo dood als ik eensdaags zal zijn.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 9 mei 2014

 

Opmerking:
Terwijl ik in de muziekkoepel zat te wachten om (op 4 mei j.l.) te mogen voordragen, viel mijn oog op die ene dode boom, een nieuw stadsgedicht is geboren.


Dodenherdenking

De  steile weg die zij gedwongen gingen
naar kamp, naar cel, naar loopgraaf of schavot,
volwassenen zo goed als jongelingen,
zij gingen niet alléén – wij deelden in hun lot.

Ook in het uur dat niemand kent maar ieder vreest,
stonden wij naast elkaar en zij aan zij;
elk bad tot zijn of hare God, zocht steun bij
wie, in droom of daad, het dierbaarst was geweest.Zo ook vandaag, bij ’t herbetreden van dat pad,
van Grebbeberg tot aan d’ Japanse kolenmijn,
op de appèlplaats of in de éénrichtingstrein,
staan wij alsof geen uurwerkhand bewogen had,

en denken weer aan wie, tenslotte niet te helpen,
de hoogste prijs van ’t leven zelf betaalden,
en vragen wat wij die de eindstreep haalden
nadien deden om de tranenstroom te stelpen.

Herman Posthumus Meyjes

Deventer, 4 mei 2014
Opmerking:
Voorgedragen tijdens de herdenking op het Grote Kerkhof op 4 mei 2014

Europese verkiezingen

Europa, onophoudelijk getwist –
verleden onvoldoende uitgewist –
vandaag: verdeeld als nooit tevoren –
morgen: veelspalt, diep bevroren –
en van de geschiedenis geleerd? –
steeds dieper binnenwaarts gekeerd! –
en hoe zit het met de stem? –
wie voor Europa is, gebruike hem!

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 8 april 2014


Het tegenbeeld

En weer de dans om de aprilse boom
en weer de schrale parade der partijen.
Opnieuw de keus tussen het onmogelijke,
het ongeloofwaardige en ’t loze woord.
Wat doe ik met die stem die niets beslist
en in de schaal der dingen gewichtloos is?

De keus onduidelijk, zinloos en vergeefs.
Welk nut? Wat schuift het in de beurs?
Lokaal, wat schiet ik daarmee op?
Het stadhuis blijft doof voor mijn geschrei.
Kom liever mijn tuintje eens goed begieten
en breng die buslijn voor mijn deur.

***

Maar beschouw ook eens het tegenbeeld:
een Grote Baas wiens hand het al bestuurt
en die naar eigen smaak de koek verdeelt,
de vriend beloont, de tegenstrever straft,
die lijnen trekt op d’overvolle kaart,
en zegt ‘jij hier, jij daar en ik in ’t midden’.

Is dat soms beter? En waarom zouden miljoenen
ons om onze keuzevrijheid benijden?
Denk na. Weeg af. Zie de betrekkelijkheden.
Begrijp de beperkingen. Koester het verworvene.
Kom op voor je belang en voor het algemeen belang.
Ga achter het gordijn, een kostbare plek.

Wat je niet gebruikt, raak je kwijt.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 12 maart 2014