Gedichten


#15 Ware rijkdom

Voor Lintjesregen 2017 liet ik me inspireren door het begrip “Rijkdom”. Juist in onze maatschappij die in grote mate wordt beheerst door individualisme zijn mensen die zich belangeloos inzetten voor een ander zo belangrijk.
—–

Ware rijkdom

Wonend in een gouden stad
langs water dat knipoogt naar de zon
flaneren wij, gehuld in brons
langs de betonnen boulevard.

Samen voor ons eigen
laten we ons leiden
door wat we bij de ander zien:

een groter huis, een diepere tuin
een wittere lach, een eigen jacht;
nog voor we het ene hebben volbracht
lonkt er al een ander doel.

Misschien is ware rijkdom dat,
wat je in dit eeuwig eindige
woelig bloeiende leven
voor een ander kunt betekenen.


#14 Palmyra

Naar aanleiding van de tentoonstelling: “Palmyra. Stad van duizend zuilen in Deventer.”, die nog tot 12 maart te zien is in de Waag op de Brink schreef ik mijn 14e stadsgedicht. De tentoonstelling bracht me tot het inzicht dat elke stad ooit is geboren, maar net zo vergankelijk is als de mensen die er wonen. Daarnaast bedacht ik me dat elk aardse heiligdom, hoezeer het de tand des tijds ook heeft doorstaan, kwetsbaar is. Juist dat wat van grote historische en culturele waarde heeft valt ten prooi aan terroristen. In Palmyra hebben mensen hun leven gegeven om de stad en wat zij herbergt te beschermen en toch staan er nog slechts 2 van de 16 zuilen overeind. IS heeft er lelijk huisgehouden en hoewel ik vandaag las dat het Syrische leger heeft terug veroverd is niets ooit een garantie voor behoud. Daarover gaat onder andere het gedicht:

Palmyra

Hoeveel tijd is ons gegeven?
Hoeveel plek ons toebedeeld?
Wat bepaalt hoe lang we leven?
Wat bepaalt hoeveel?

Hoeveel haat schuilt in het wezen
dat vernietigt en verjaagt?
Hoeveel liefde is er nodig
om die haat te lijf te gaan?

Hoe bewaar je het bewijs
dat een stad ooit is geboren
als de schouder die haar draagt
van steen tot zand vergaat
en haar toegangspoort het oog wordt
van een gloeiendhete naald?

Hoe bewaar je het bewijs
dat er vreugde heeft geheerst
als haar openluchttheater
opereert als strijdtoneel
en zelfs de tombes op haar grond
de dood niet meer bewaken?

Slechts de toekomst kan haar geven
wat ze sterker dan geluk ontbeert:
De kans om te herrijzen
met wat van haar niet stuk kon gaan,
want op de vrede volgt strijd,
maar op de strijd volgt vrede.

Is de geest altijd groter dan het lijf dat hij bewoont?
Is een mens altijd kleiner dan dat waarvan hij droomt?
Op de vraag volgt de stilte,
op de stilte volgt de vraag.


#13 Ik wens je toe

Hierbij mijn 13e stadsgedicht, getiteld Ik wens je toe.
Het gaat over alles wat ik de Deventer inwoners voor het komende jaar toewens.
Het is deze maand geschreven in Kleve, Duitsland, waar ik was om op de planten en garnalen van mijn ex-vriendje te passen terwijl hij en zijn vrouw op huwelijksreis naar Cuba gingen.

In Duitsland kon ik een aantal zaken van de laatste tijd laten bezinken, waaronder mijn verhuizing van de binnenstad de Zandweerd en alles wat daarbij kwam kijken.
De foto eronder van het schone Duitse landschap vond ik goed bij de woorden passen.

 

Ik wens je toe    

Ik wens je voor het nieuwe jaar
een goed begin, oprecht contact,
een dikke huid, een wintervacht.

Ik wens je toe
een bloemenzee, een stralenkrans,
een ongeremde dadendrang.
Ik wens je toe een wandeling
door andermans gedachtegang.

Ik wens je toe gezond verstand
wanneer je televisie kijkt.
Ik wens je toe een uitzicht
waarin het eeuwig lente blijft.

Ik wens je toe een rijke oogst
van alles wat je hebt gezaaid;
dat wat je toekomt jou bereikt
en wat je zwak maakt jou verlaat.

Ik wens je dat het beter wordt
wanneer je dagen somber zijn.
Ik wens je de hereniging
met wat je meende kwijt te zijn.

Ik wens je toe berusting
wanneer je tijd gekomen is.
Je bent nog niet verloren
zolang je ergens wordt gemist.

Ik wens je naast vervulling
van al wat ik je wensen kan
dat niet alles beter wordt
en dat niet alles goed zal zijn
opdat er iets te wensen blijft.

 


#12 Duiker

Afgelopen dinsdag was in de Deventer Schouwburg de benefietavond voor 3FM Serious Request, getiteld Ademloos. Het goede doel van dit jaar is het voorkomen van kindersterfte door longontsteking in o.a. de Hoorn van Afrika en Ivoorkust. Johanneke mocht de avond openen met een gedicht dat ze schreef vanuit het perspectief van een kind dat droomt van een later waarin het beter is en duiken kan. Het gedicht werd in het midden van het programma op bijzondere wijze geveild door Jan Terlouw. Ze zong als verrassing -het stond niet in het programma vermeld- nog het prachtige lied Leave a light on van Martin Van de Vrugt mee. Het was een mooie avond. Tijdens de opening sprak ze de wens uit dat we ook buiten initiatieven als Serious Request en buiten kerst aan de rest van de wereld blijven denken. Hierbij het gedicht:

 

Duiker

Later wil ik duiker zijn
om parels uit hun schelp te vissen,
schatten uit hun wrak te lichten
en koning van de zee te zijn.

Ik wil de naam van alle vissen weten,
vliezen tussen mijn tenen kweken,
de wolken vanuit het water zien bewegen
en boze kreeften kopjes geven.

Ik wil niet meer hoesten als ik praat,
niet meer zweten als ik slaap
en niet meer wachten op de dokter.

Later wil ik duiker zijn
om parels uit hun schelp te vissen,
schatten uit hun wrak te lichten
en koning van de zee te zijn.

Later moet ik beter zijn.
God, laat mij een duiker zijn.


Johanneke ter Stege wint Talentprijs Overijssel!

In een overvol theater Odeon in Zwolle ontving Deventer dichter Johanneke ter Stege op donderdag 22 september de Talentprijs Overijssel uit handen van Ank Bijleveld. Mede genomineerden waren stadsgenoot Rob Dekay en mede ArtEZ-ganger Karel J. Schepers. De prijs bestond naast een grote bos bloemen uit een prachtig beeldje van kunstenares Karin Wijnand: een soort glazen golf met een stenen veer erop en een cheque van €1000,- waar ze een goede bestemming voor weet: een nieuwe piano. De jury, bestaande uit o.a. André Manuel, lichtte toe: “Johanneke ter Stege. Een groots talent, waar we als Overijssel niet omheen kunnen… “We verwachten dat ze nog veel meer in haar mars heeft.” en: “Met zoveel talent hoef je nooit te kiezen, want juist de persoonlijkheid met zoveel facetten geeft haar talent weer,”.


#11 De lente begint

De lente begint in een donkere wereld
die wij van overzee bezien.
Drones tonen steden waar grijs overheerst
in leeggeschoten straten.

Op Facebook miezert het meningen,
het draagt geen enkel antwoord aan.
Ik weet aan welke kant ik sta,
maar niet wie ik moet volgen.

Slapend raak ik diep te water,
duik ik muntjes tussen haaien,
draag ik dorpen op mijn rug;
wakker raak ik kant noch wal.

Ik wou dat de wereld een schoolklas was,
die leerde hoe je elkaar bevrijdt
van alles wat schrijnt en alles wat blijft,
ook als je vraagt of het weg wil gaan.


#10 Nooit meer warme handen

Ter gelegenheid van Dodenherdenking 2016 maakte ik een bewerking van een gedicht dat ik eerder schreef. De bewerking is geïnspireerd op mijn opa’s die beide in Indonesië hebben gevochten. De een in het KNIL-leger, de ander op uitzending vanuit Nederland. Naar Johan, uit Indonesië, ben ik vernoemd. Ik heb hem helaas nooit gekend.

——————————–
Nooit meer warme handen,
nooit meer watertanden.
Nooit meer niezen, nooit meer juichen,
nooit meer kapers op de kust.

Nooit meer fietsen, nooit meer zingen,
nooit meer vogels leren vliegen.
Nooit meer vliegers laten dansen,
nooit meer nasi op je bord.

Misschien dat je je naam behoudt,
maar spoedig spreekt geen mens je taal
en sta je slechts gekerfd in steen.

Nooit meer koken, nooit meer grapjes,
nooit meer glijden tussen lakens.
Nooit meer stralen uit je ogen,
nooit meer zweten, nooit meer koud.

Misschien dat je een lintje krijgt
uit ongeschonden handen,
bij wijze van een antwoord.

Nooit meer honger, geen verlangen
nooit meer schrijven in de trein.
Nooit meer vloeken, nooit meer strijd,
nooit meer angstig hoeven zijn.

Misschien dat iemand bloemen brengt,
maar niemand blijft zo lang als jij.


#9 Wees bereid

In het kader van de Deventer Lintjesregen heb ik een gedicht geschreven dat persoonlijk gericht is aan alle 13 gedecoreerden. Afgelopen dinsdag, 26 april, ontvingen ze in de Grote Kerk hun lintje en bloemen uit handen van de burgemeester.
—-

Wees bereid

Wees bereid om te kijk te staan.
Wees bereid om te falen.
Maak je klaar om het tij te keren,
koester je idealen.

Tem je angst om mensen te kwetsen.
Bied ze de kans om jou te raken.
Ieder hart kan open breken,
je hoeft niet alle pijn te dragen.

Verzamel manieren om tussen de kieren
licht te kunnen bewaren.
Zorg dat anderen het zien,
hijs je zeilen met de stralen.

Gun jezelf daarnaast een plek
waar je niemand iets hoeft te tonen
en niemand iets hoeft te leren
Geef jezelf de ruimte
om opgeladen terug te keren.


De bouw van het huis van de stad

Een paar maanden geleden werd ik door de gemeente benaderd of ik een gedicht zou willen schrijven voor de opening van het kakelverse Deventer Stadhuiskwartier. Aangezien ik het hele bouwproces vanuit mijn badkamer raam heb kunnen volgen, leek me dat tof om te doen. De foto maakte ik op een van de eerste lentedagen toen het gebouw zo goed als af was, maar de vijvers nog moesten worden aangelegd (vandaar het rood-witte lint).

 

 

De bouw van het huis van de stad

Toen ik in Deventer kwam wonen
met uitzicht op het fundament
van wat het huis van de stad zou heten
wist ik niet dat maandenlang
gebeuk en gebonk van mens en machine
mijn ochtendrust verstoren zou.

Vanuit mijn raam zag ik muren verrijzen.
Hoger en hoger klommen de stenen.
Reusachtige kranen bedekten de hemel;
in wanden verschenen kantelen.

Glas werd getakeld in eiken lijsten.
Door die lijsten keek ik toe
hoe meubilair in plastic hoes
onwennig de lege ruimte betrad.

Toen kwamen de mensen achter de vensters,
rustig typend in hun frame.
Ik poetste mijn tanden, ze zwaaiden naar mij;
maar kwamen zelden echt dichtbij.

In de lente ging ik kijken
binnen de muren van het fort.
Het was er gister en morgen tegelijk.
De houten rijkdom deed vergeten
in welke eeuw we leven.
Ik zou er met plezier verdwalen;
er ’s avonds stiekem blijven steken.

Ik belandde op het binnenhof
waar het volk zich heeft verenigd
in grillige zilveren lijnen;
metalen vingers in de pap.
Uitgezoomd een storm op zee;
ingezoomd een duinlandschap.

Ooit zijn slechts
de sporen van de mensen
nog aanwezig in de stad.


De nieuwe raadzaal

Een tijdje geleden werd ik door de gemeente benaderd of ik een gedicht zou willen schrijven ter ere van de hernieuwde raadzaal in het stadhuiskwartier die op 23 maart feestelijk zou worden geopend. Ik besloot eerst wat inspiratie op te doen voor ik zou toezeggen en ben een aantal keer in de zaal geweest. De ruimte sprak me erg aan door alle bijzondere dingen die ik erover te weten kwam. Zo heeft de architect foto’s gemaakt van o.a. de IJssel en de oever en deze kleuren waarheidsgetrouw als een soort patchwork over de bekleding van de bankjes laten lopen. Dat soort details spreken me erg aan. Verder kwam ik er tijdens het verzamelen van informatie en inspiratie achter dat het plafond een zogeheten cassetteplafond heet. Dat komt van het Italiaanse “cassette”, dat doosje betekent. Het pantheon in Rome heeft een vergelijkbaar soort plafond. Dit soort dingen maken schrijven extra leuk.

 

De nieuwe raadzaal

We zijn beland in het hoofd van de stad.
Hier wordt gesproken, bedacht en besloten
door hen die ons representeren
als deel van hetzelfde volk.
Dit is een ruimte die ruimte biedt
aan dat wat het toont en dat wat het ziet.

Richt je blik naar binnen,
vind daar het orakel
dat de kern van elk gesprek bevat
en mee kleurt met de lichtval.
Stel het je diepste vragen.

Richt je blik naar boven,
stop wat je vreest in de doosjes.
Orden je geest tot je helder kunt spreken,
richt je betoog tot het leven.

Laat je blik dan rusten
op de bankjes aan de achterwand
waar de IJssel gestaag de bekleding bedekt,
neem plaats naast de architect.

Ga tot slot de trap op.
Vind er de oudste boeken
met haveloze bruine huid,
wakend achter witte spijlen,
als stille getuigen van ieder besluit.

 

Raadzaal gedicht


De mensen van het wagenkamp

Een tijdje geleden werd ik gevraagd als Deventer boekenweekburgemeester. Het thema van dit jaar is Duitsland. Aangezien ik van lezen houd en van Duitse literatuur van onder andere Hermann Hesse, zei ik ja. Boekenweekburgemeester houdt in dat je bij allerlei lezingen, films en optredens in het kader van de boekenweek aanwezig bent met een ambtsketting om je nek, bestaande uit een keten van kleine boekjes. Vandaag was de officiële benoeming in de bieb onder het genot van bier en bratwurst. Ik droeg er mijn nieuwe gedicht voor, geïnspireerd op een vakantie in Keulen, toen ik met Soraya terecht kwam in een woonwagenkamp:

 

De mensen van het wagenkamp

In alles zijn ze autonoom,
de mensen van het wagenkamp.
Ze wonen in het grensgebied
van stad, natuur en industrie,
een zelfgekozen utopie van
zonnebloemen, gras en modder,
stil bezoek en wilde honden.

Ze gunnen zich de meeste tijd
van alle mensen die ik ken;
ze koken soep op open vuur,
ze eten zelfgemaakte jam.

Ze douchen in de buitenlucht
met opgevangen regenwater,
slepen laarzen door de klei
en ondergaan de kou gelaten.

Uit ongenoegen met de staat
ontstaat bescheiden protesteren;
ze graven ’s nachts containers leeg,
soms gaan ze in de stad jongleren.

Het kind dat opgroeit rond de wagen
ontdekt vanzelf de zwaartekracht.
Het scharrelt onverstoorbaar rond
totdat het valt en zich bezeert,
zodat het leert, zichzelf te dragen.

 

IMG_9547


Zinloos geveld

Verslagen lig je uitgestrekt
op steeds maar natter wordend gras.
Je rond gevormde grijze bast
als een pas gestroopte olifant;
je poten slap, de hars nog zacht.

Je bent ontkiemd in het plantsoen
na Frans-Bataafs bestuur.
Toen Elisa Bonaparte stierf,
aanschouwde jij het eerste uur
van Hollands’ hernieuwde mondigheid.

Het is nu krap twee eeuwen later.
Je takken zullen nooit meer zwaaien
naar de huizen aan de overkant
en ’s nachts zul je die grote kerk met
al zijn lichtjes niet meer zien.

Ik neem een stukje van je mee
waar ooit een specht in heeft gewoond
terwijl de verslaggever op tv
je onbedoelde neergang toont.


Rana Plaza

Zoals ik in een eerdere post al schreef, was ik door een Fairtrade werkgroep in Deventer gevraagd om een gedicht te maken en deze voor te dragen in filmhuis De Keizer ter gelegenheid van de internationale Fairtrade week. De werkgroep zou graag van Deventer een Fairtrade gemeente maken. Het zou heel mooi zijn als dat lukt. Voor het gedicht heb ik me laten leiden door het drama in de kledingfabriek Rana Plaza dat in 2013 in Bangladesh plaatsvond. De film The True Cost die na mijn voordracht vertoond werd gaat ook in op die ramp. Hier de link naar de foto die Taslima Akhter maakte.
De foto is leidend geweest in mijn gedicht.


Rana Plaza

De dag nadat alles schudde en scheurde
muren bezweken, etages verdwenen
en stof elke meter bedekte
trof men een man en een vrouw in het puin

Haar omvattend in een stilte
die geen klank verstoren kan
behoedde hij hen voor een eenzaam eind
voor het eerst zag ik mensen zó samen

De wereld hield haar adem in
dit had niet mogen gebeuren
vingers wezen naar het westen met
zijn gewetenloze winstbejag

Er kwam het Bangladesh-akkoord
er werden regels opgesteld
om de fabrieken veiliger te maken
deze tragedie viel niet te ontkennen
maar vooral was het slechte reclame


De IJssel

Afgelopen zaterdag was het bijzondere Overvloed festival.
Dit was opgezet in het kader van het heuglijke feit dat de IJssel “af” is;
de bouwwerkzaamheden zijn klaar, tijd voor een feestje dus!
Ik had de eer, mijn nieuwe gedicht over de IJssel voor te dragen vanaf bovenin een toren vanwaar je over het festival kon uitkijken. Aan het eind liet ik papieren vliegtuigjes naar beneden zoeven waar het gedicht op stond geschreven. De vele kinderen onderaan renden erop af alsof het om pepernoten ging.
Ik hoop dat Overvloed een jaarlijkse traditie wordt.


De IJssel 

We hebben haar taille losgemaakt
ze mag weer vrijuit ademen
ze wentelt zich om en om in zichzelf
de breedste schepen kan ze dragen

We nestelen ons in het zand
van haar weids gemaakte oevers
we kietelen haar oppervlak
met pas gelakte nagels

Oh zij, reislustig tranendal dat
eeuwen voor ons heeft overleefd
is talloze malen bezien en bezongen
een jaar is voor haar
een vluchtige droom

Geen warme huid of schaterlach
zal haar ervan weerhouden
zich over je te buigen
om jou te zuigen in haar stroom

Hierbij nog een foto van mijn voordracht gemaakt door Rob Kramer:

Johanneke bij Overvloed

En een voordracht live bij RTV Oost in juli 2016:


De fontein

Ik heb een nieuw stadsgedicht geschreven! Over de fontein op de Brink dit keer:


De fontein

Ik kijk naar de fontein
met het zilvergroene water.
De engel blaast het uit een schelp.
Hij kijkt of hij gezopen heeft
wat waar zou kunnen zijn;
er liggen blikjes aan zijn voeten.

De leeuw mikt in de kelk.
Zijn kop geklemd in een patrijspoort,
zijn lome ogen groot.
Wie weet was ooit het plein een zee
en de fontein een boot.

In het wit staat onze stadsmaagd
haar jurk te beschermen
en vrede te stichten
opdat zij niet meer wordt gesloopt.

Van bovenaf beziet ze ons,
zonder op ons neer te kijken.
Wie zou er in haar tempel wonen?

Er horen ook een foto en een filmpje bij. De foto maakte ik op een dag dat er regenbogen in de lucht zaten en je de stadsmaagd in de plassen weerspiegeld zag.

Wilhelmina


Ik wil over de IJssel schrijven

Ik wil over de IJssel schrijven,
maar hoor een oude heer vertellen
dat hij gister zijn eerste biertje dronk:
”Het smaakt naar azijn met bruine suiker”,
vertrouwt hij de verkoper toe.

Ik wil over de IJssel schrijven,
maar koop een kaart van een chimpansee,
omdat die aan mijn nichtje doet denken
-al verwoord ik dat anders naar haar vader-

Ik wil over de IJssel schrijven,
maar buiten blaast een meisje grote bellen in de steeg.
Je ziet de paraplus erin, ze zweven tot ze knappen.
Ik vind mijn camera te laat, alweer iets wat verloren gaat.

Ik wil over de IJssel schrijven,
maar in de bieb daar schijnt de zon.
Ze hebben er cake op gouden bordjes
en films met dansende lijken.

Ik wil over de IJssel schrijven,
maar vrees dat het te laat is;
ga er zelf maar kijken.


Toespraak afscheid

Geachte Wethouder, Geacht Gehoor,

Nu het uur van mijn afscheid –- als stadsdichter, wel te verstaan –- heeft geslagen, en ik op het punt sta mijn vermoeide pen neer te leggen, is het mij een behoefte in de eerste plaats, u, wethouder en via u het gehele College van Burgemeester en Wethouders,  en ook u, mijn stad- en streekgenoten, van ganser harte bedanken voor het uitzonderlijke voorrecht gedurende twee jaar uw voorzanger te hebben mogen zijn, en u tot mijn trouwe lezers en lezeressen te hebben mogen rekenen.

Ik kan u verzekeren dat ik van dit voorrecht heb genoten, en geleerd, en geprofiteerd, en er onder sommige omstandigheden ook onder heb geleden. M.a.w. ik heb een heerlijke tijd gehad. Die komt nu ten einde, en in het volste vertrouwen, en met een beroep op uw goedgunstige ontvangst, maak ik bij deze plaats voor mijn opvolger, die ik het allerbeste toewens.

Ik zou geen dichter zijn als ik deze gelegenheid niet te baat zou nemen voor het schrijven van een klein vers, dat ik u thans zal voorlezen. Ter adstructie vermeld ik dat in dat vers de naam voorkomt van de Griekse muze, Terpsichore, die heerst over rijk van de muziek, de dans, de zang en de poëzie, en in wier dienst ik in de afgelopen twee jaar heb gearbeid.
Verder is er sprake van een houten kistje, dat ik hier bij mij heb, en dat ik bij deze zal overhandigen aan mijn opvolger, zoals de traditie dat verlangt. In dat kistje bevindt zich de sleutel tot een geslaagd dichterschap, waarover ik verder niet mag uitweiden En die sleutel druk ik nu in de handen van degene die na mij komt.

Nu rest mij slechts u allen vaarwel te zeggen, en tot ziens.

Herman Posthumus Meyjes,
1 augustus 2015


Ten afscheid

Tekst bestemd voor de Deventer Dichtersdoos, die van de ene stadsdichter op de volgende overgaat  
              

Ik heb mijzelf ter kist besteld,
de stedelijke lier gesmoord:
Voorbij de tijd dat ik werd gehoord,
voorbij de tijd dat ik werd geteld.

Terpsichore, ik smeek niet langer toegang tot uw schoot,
ik kan uw wapp’rend vaandel niet meer volgen.
Het dient geen doel hierom te zijn verbolgen,
te fulmineren tegen tijd en dood.

Laat nu dan andere handen in de snaren grijpen.
Geen nood, als het woord, het lied maar helder klinkt,
de muze, in vuur ontstoken, met vervoering zingt –-
dàn zal het stadsgezang tot ware dichtkunst rijpen.

Herman Posthumus Meyjes
1 augustus 2015


*Terpsichore: In de Griekse mythologie de muze van dans en zang en van de poëzie

 


Men weet niet wat men heeft tot men het mist

Ik herinner mij de dag van uw tersluiks vertrek,
de ouderen verrast, in wanhoop en verward,
de jongeren verheugd om het redden van het hart,
en om de zekerheid van een voorlopig nog gegist bestek –-
men weet niet wat men heeft tot men het mist.

Ik herinner mij van overzee uw ijzersterk geluid,
verbeten en verwoed, voedzamer dan welk rantsoen,
een leidraad voor wat in het duister wel of niet te doen,
het vrije woord, dat wisten wij, dat sterft niet uit –-
men weet pas wat men heeft als men het mist.

Ik herinner mij de blijde inkomst van uw eerste voet
op de ontwijde en uitgezogen grond,
het nieuw begin, de genezing van een diepe wond,
de vrije blik, en het oneindig opgelucht gemoed –-
men weet pas wat ontbreekt als het is weggegrist.

Ik zie een land verbrokkeld en gefragmenteerd,
zoekende naar perspectief en steunende op oude zekerheid,
onverbrekelijk deel der wereld, maar met onderscheid.
Zo’n land behoeft een vaste kern die men omarmt en eert –-
daarzonder raakt het diepste wezen ten slotte uitgewist.

© Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 27 april 2015

Voorgedragen ter gelegenheid van Koningsdag


Woord, beeld, vorm en klank

Zonder beeld zwijgt een gedicht –-
zonder beeld waaruit het is gegroeid
en waarin het wortel schiet.
Beeld is de mal waarin het woord zichzelve giet
en waartoe het zichzelf verplicht.

Zonder toon verstomt het woord
en blijft het zonder vrucht.
Een klankloos vers hangt in de lucht
waaruit het schielijk vlucht
voordat het wordt gesmoord.

Zonder vorm verdooft de kleur
en rest slechts woestenij.
Het is de schaal zonder het ei,
het licht zonder het zicht,
de bloem, maar niet de geur.

Zonder woord, beeld, vorm en klank
loopt elke uitkomst mank,
is elk product gedrocht,
hoe duur zijn titel wezen mocht,
met hoeveel wanhoop ook gewrocht.

Het is de zegen van de kunst,
actief, passief, nabij, ver-af,
een goddelijke gunst,
die het leven draagbaar maakt
en ons tot op de bodem raakt
met klank en vorm, met woord en beeld,
en liefhebber noch vakman ooit verveelt.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 21 juli 2015

Voorgedragen bij de opening van de tentoonstelling van het DAK (Deventer Amateur Kunst) in de Lebuïnuskerk