Gedichten


Boekenstad Deventer

Je slentert door de oude boekenstad en hoort, heel ver
de zachte cadans van een dieselmotor op de rivier
gedurig tikken van de voetgangerslichten
kinderstemmen die aanzwellen op het schoolplein
de trein die als een metalen slang de stad binnenrijdt
verwaaide klanken van het carillon

Auto’s remmen af en trekken op
Een fietser belt en remt, want hij heeft haast
Winkels dreunen wenkend disco naar de straat
Een marktkoopman vertelt van verse vis
Er valt een glas op het Brink-terras, er klinkt gelach
Zo, vol geluiden is vandaag, de dag

Je pakt een boek, en bladert wat
Je zit, en ziet een woord, nooit van gehoord
Lees, en lees en alles om je heen wordt stil
Nu vormt het boek geluiden in je hoofd
De klanken kleuren levendig de stad
Zo’n drukte om je heen, nog nooit zo’n rust gehad

Dick Metselaar
Deventer stadsdichter


Burgerweeshuis

Hier is de muziek
in de muren gesijpelt
In de hoek ligt nog
een daverend slotakkoord
Hier trillen nog
rood, blauw, gele lichten na
Bier, gemorst, houdt de danser vast
Carrières van maat en ritme
zijn geknakt of begonnen
Entreebewijzen
liggen als confetti verspreid
Stille getuigen op de grond
Op het binnenplein de zoete geur
van genot
Ruggen van handen,
bestempeld,
omarmen elkaar
Decibellen echoën na
in de oren
Als je eindelijk, het hoofd,
bevangen van de klanken,
op het kussen te rusten legt.

Dick Metselaar
Stadsdichter


Ode aan Theater Bouwkunde

Stevig, hoog en oudroze staat het gebouw.
Het stratenweb doet je aan vroeger denken.
Een etensgeur prikkelt de neus.
Het pand is onbewust aan ’t wenken.
Glazen klinken, lepels tikken,
kurken ploppen, flessen schenken.

Hier waart niet slechts de geest van Bacchus
maar van alle muzen, dochters van Zeus;
muziek, theater, wetenschap
vinden hier hun aardse thuis.
Je vlindert er van Muze naar Amuse
en rustig klinkt het restaurantgedruis

Ik tel ze niet, de zangers van de koren,
artiesten, dichters of de graag geziene gast,
die hier een nieuwe liefde vonden.
Een passie voor theater en muziek, maar
ook een nieuwe vriend, vriendin van vlees en bloed.
Kom, schenk de glazen vol met wijn of gueuze lambic!

Je volgt de weg, omhoog en ziet de dans, toneel.
Er klinkt een lied, de stoelen gaan opzij.
Je raakt ze bijna aan, de vele kunstvertolkers
en proeft de sfeer, dit gaat toch niet voorbij?!
Nu weet de gast: Bouwkunde te minnen.
Geen huis in Deventer streelt zó totaal de zinnen.

Dick Metselaar
Stadsdichter Deventer


Boxbergerweg

In Wesepe ontspring je in het groen,
vindt kronkelend je weg langs veld en weide.
Een buitenplaats, een boerderij terzijde,
de bomenrij. De berm lijkt een plantsoen.

In Eikelhof zie je het oude kruis,
weet Diepenveen nog rakelings te passeren.
Je voelt de warme stad, je kán niet keren.
Nog één rotonde, en dan ben je thuis.

Maar bij Daventria vertraagt jouw pas,
bij Auping moet je plotseling verdwijnen
om bij de Heuvel nogmaals te verschijnen
en weer de weg te worden die je was.

Eén tunnel nog. De monding komt in zicht.
Jij langste straat hebt na de renovatie
weer aanzien. Je raakt weer in de gratie
Daarom één vraag: wie maakt dat gat eens dicht?

Dick Metselaar
Stadsdichter Deventer

De Boxbergerweg is de langste straat van Deventer. Er liggen enorme villa’s aan maar ook winkels, boerderijen  en sociale woningbouw. De ‘monding’ van de straat is bepaald geen visitekaartje. Bijna alle winkeliers hebben veel werk gemaakt van hun nieuwe winkelstraat. De bezitter van het eerste kavel echter, aan de kop van de winkelstraat, zorgt voor een naargeestige aanblik. Een braakliggend terrein met veel troep en zwerfvuil. Zo wordt de poging van gemeentebestuur en winkeliersverenigign, om de Boxbergerweg te renoveren en een fris aanzien te geven, gefrustreerd.


Borgelerbad, een zwembad-idylle

Gebaseerd op feiten

Klam zwetend zette de man zich in de kleedruimte.
Hij pelt zijn kleren af, als de jaren van zijn leven.
Kleine zwarte fauna valt trillend op de vloer –
springend, dansend, huppelen zij weg.

Zijn witbleke huid is als een maanlandschap,
korstige kraters vormen roodbruine eilanden
in een aards kleurengamma.
De man staat op,

hij begeeft zich op weg
er knapt iets – open,
dan laat hij zich langzaam in het lauwe zachte
zwembadwater zakken
met in zijn kielzog een stoet van ongewassenen.
Het water sluit zich als een zachte zalf om
de stramme botten, de huid, de schilfers en de schimmels.

Mijn ooghoek signaleert beweging
de badjuffrouw neemt lusteloos haar plaats in
en kijkt lethargisch voor zich uit, zij doodt haar tijd
met tegels tellen.
Het bad loopt vol: bezoekers die
dagelijks reikhalzend uitzien naar een weekbeurt.

In mijn hoofd vormt zich een film van afscheiding,
golven van  de beweging
kokhalzend sla ik
slag na slag
mijn zwembadbaan.

(overdenking: inenten tegen vogelgriep,
het is de vraag of het helpt: een paar baantjes Borgelerbad
en je kunt er weer een tijdje tegen)


Bergpoortstraat

Leg je oor te luister
tegen de tijd.
Hoor het stampen, het dampen,
het zagen, het knagen.
Hoor geschreeuw van de bazen,
gevloek van de knechten.

Hoor het koken van vetten
en het maken van tonnen.
Hoor het malen, het persen,
het zeven en breken.
Luister, hoe geluiden
vergaan, in de tijd.

Zie, gebouwen herrijzen.
Geluiden hernemen de ruimte,
als het zachte gefluister
van twee geliefden,
als een lach van de buren
op het balkon.

Er klinken kindergeluiden
uit monden voor wie deze plek
de wereld is.
brekerij, ziederij, grutterij, kuiperij.
Voor hén mystiek haast.
Woorden leggen, in metaal,
een rijk verleden vast.

Dick Metselaar